4 C

Fietstoerisme in de fifties. Reissouvenirs van Louis Schatteman

“Door de Tweede Wereldoorlog hadden we nooit de kans gekregen om naar het buitenland te gaan. Ik heb dan ook geen moment getwijfeld toen een vriend me in 1949 voorstelde om samen op de fiets de Zwitserse bergen in te trekken. Ik was toen 29 jaar, mijn compagnon de route drie jaar jonger. Met de nachttrein reden we tot in Luzern en begonnen van daaruit aan onze beklimmingen. Die trip viel me zo goed in de smaak dat ik nog eens drie keer (1950, 1953, 1954) op fietsvakantie in het buitenland ben geweest. In totaal beklom ik 28 cols. En dat voor iemand die opgroeide in Bosvoorde, aan de rand van het Zoniënwoud…”(Louis Schatteman, °1920)

Zonder degelijke tweewieler moest je niet vertrekken. Dat ondervond ik al in 1949. Daarom kocht ik mij in 1950 deze op maat gemaakt fiets, van het merk Liviano. Om de bergen over te komen, is de fiets uitgerust met twee tandwielen vooraan. Het kleinste tandwiel telt 28 kroontjes, het grootste 52. Schakelen gebeurde nog niet aan de schuine buis, wel aan de staande achtervork. Let ook op de buizen die de bagagedrager fixeren: die zijn speciaal iets lager gelast zodat ik meer bagageruimte had. Tot op vandaag kan ik nog altijd geen nadelen aan deze fiets bedenken. Hij was mijn rots in de branding!

Voor ons vertrek naar het buitenland, moesten we naar Tour & Taxis in Brussel om een zegel te laten bevestigen aan onze fiets, als bewijs dat dit een Belgisch product was. In die dagen was deze site het knooppunt voor wat betreft transitogoederen in het Brusselse. Om eventuele invoerrechten bij onze terugkeer in België te vermijden, hadden we dus zo’n zegel. Zo hadden we gegarandeerd geen problemen met de douane.

Als souvenir aan de ‘overwonnen’ cols kocht ik vaak een fietsvlagje op de top. Daar stond in de meeste gevallen een barak waar allerhande spullen te koop werden aangeboden. Ik heb ze nooit bevestigd aan mijn fiets, omdat die al vol hing met zakken bagage: fietsherstelgerief, warme kledij, een tent, een luchtmatras,… Overnachten deden we telkens in onze tent. Op twee keer na, toen het weer echt te slecht was. Toen verbleven we in een hotel.

De cols waren in die dagen nog niet geasfalteerd. We fietsten vooral op onverharde wegen, met veel grind. Dat maakte alles nog een stuk lastiger. Maar gelukkig waren er toen praktisch zo goed als geen automobilisten. We ontmoetten vooral andere fietstoeristen. Op een gegeven moment vonden we langs de kant van de weg een fototoestel, dat aan een paal hing. We besloten om het mee te nemen, want we hadden het gevoel dat we de mensen die dit vergeten waren, nog gingen ontmoeten. En dat gebeurde ook. Uit de tegenovergestelde richting kwamen we niet veel later twee fietsers tegen die op zoek waren naar hun fototoestel. Zelf hadden we uiteraard ook een toestelletje bij. Om onze beklimmingen vast te leggen én achteraf nog eens te kunnen herbeleven…

Tijdens onze reizen namen we ook wel de tijd om een rustdag in te lassen. Op die dagen gingen we dan op uitstap. We informeerden ons in het lokaal bureau voor toerisme over de mooiste bezienswaardigheden. In 1954 deden we Chamonix aan, met de Mont Blanc als één van de grootste toeristische trekpleisters. We sloegen onze tent op in “Les Bossons”, een dorpje naast Chamonix. In de voormiddag namen we een treintje naar boven tot aan de Mer de Glace, een prachtige gletsjer. In de namiddag namen we vanuit Chamonix de kabelbaan tot boven aan de Brévent. Dit gebeurde in twee keer omdat het hoogteverschil te groot was. Vanop de Brévent kon je de top van de Mont Blanc zien, omdat je daar op meer dan 2.000 m hoogte zat. Dit was een prachtig zicht, een ongelofelijk mooi panorama…

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.