longread
retro

Van loopfiets tot rijwiel. De evolutie van de fiets in vijf stappen

11min leestijd   door Dries De Zaeytijd op 18 juni 2021
Nederlands-Indië, april 1815. Na maanden van aanhoudend gerommel komt de Tambora-vulkaan tot uitbarsting. De eruptie heeft catastrofale gevolgen en luidt de ondergang in van de Tambora-cultuur, die onder een metershoge stoflaag verdwijnt. Maanden later bereikt de aswolk Europa en veroorzaakt in 1815-1816 extreem koude temperaturen. Dit leidt in de regio rond de Duitse stad Mannheim – op dat moment al meermaals geteisterd door opeenvolgende voedselcrisissen ─ tot een nieuwe misoogst en bijhorende hongersnood. De mislukte oogsten doen ook de haverprijs stijgen. De economische en maatschappelijk gevolgen zijn groot: haver is immers de belangrijkste voedselbron voor paarden, tot dan toe een onmisbare schakel in het dagelijks leven. Ter vervanging van het noodlijdende paard zou een Mannheimer in 1817 uit noodzaak een soort houten replica hebben bedacht. Of de uitvinding van de loopfiets – want zo doopt de uitvinder zijn creatie – nu echt een indirect gevolg is van de Tambora-tragedie lijkt nog altijd niet helemaal uitgeklaard. Maar in ieder geval start de geschiedenis van de fiets exact 200 jaar geleden in de Duitse stad Mannheim.

Laufmachines en hobby-horses

In 1817 legt de Duitse wis- en natuurkundige Karl Friedrich Drais von Sauerbronn de basis voor de hedendaagse fiets. Dat jaar test hij voor het eerst zijn nieuwste creatie: de Laufmachine. Het vehikel bestaat uit twee houten wielen, verbonden met een balk. De berijder zit op een zadel en beweegt zich voort door zijn voeten tegen de grond af te duwen. Door tegen een op de balk gemonteerd stootkussen te leunen, kan extra kracht uitgeoefend worden. Sturen gebeurt met behulp van een hendel. De Laufmachine – ook wel bekend als de ‘draisine’ ─ valt eigenlijk het best te vergelijken met een loopfiets zoals we die vandaag kennen.

Karl Drais verwerft al snel een patent op zijn product, dat ook buiten Duitsland populair wordt. In Parijs – begin 19de eeuw hét culturele centrum van Europa – wordt de loopfiets erg gegeerd bij de burgerij, zeker nadat een aantal publieke demonstraties plaatsvinden. In Frankrijk is evenwel geen sprake van de draisine, maar wel van de vélocipède, wat ‘snelle voet’ betekent (vélocité = snelheid, pied = voet).

In het Verenigd Koninkrijk werkt Denis Johnson in 1818 op basis van een Laufmachine een eigen model uit. Hij doopt zijn creatie hobby-horse of dandy-horse, verwijzend naar het type gebruikers ─ voornamelijk mannen uit de hogere klasse ─ die tijd én geld heeft om zich zo’n vehikel te veroorloven. Ook de link met paarden in de naamgeving is niet toevallig. Het enige snelle vervoermiddel op dat moment is het paard en de houten loopfietsen lijken eigenlijk best goed op paarden. Johnson lanceert daarnaast zogenaamde riding-schools, waar stapsgewijs wordt aangeleerd hoe je nu zo’n ding moet besturen. Evident is het rijden met een loopfiets niet, ook al omdat ie om en bij de 18 kilogram weegt. Net als Karl Drais promoot Johnson zijn hobby-horse als iets dat de gebruikers toelaat zich energiezuiniger te verplaatsen. Maar een succes op brede schaal wordt de Laufmachine/hobby-horse echter niet. De loopfiets blijft een tijdelijke bevlieging van de rijkere klasse.

In eigen land toont de naam zowel Engelse als Franse invloeden. De loopmachine staat bekend als een velocepeerd, of snel paard.

Pedalen op de loopfiets

In het atelier van de Franse familie Michaux, gespecialiseerd in koetsenbouw, wordt in de jaren 1860 een loopfiets ter reparatie binnengebracht. Kort daarna komt de familie Michaux naar buiten met een eigen model. Niet langer een loopfiets, maar wel een type waarbij de berijder zich moet voortbewegen door te trappen op twee pedalen. Op een Michaux – getypeerd door een iets groter voorwiel ten opzichte van het achterwiel ─ zijn op het voorwiel vaste trappers bevestigd. Je moet dus blijven trappen, ook als het snel gaat. Daarom wordt vooraan vaak een beugel gemonteerd, waar je je voeten kan opleggen als de pedalen te snel ronddraaien. Omwille van die snelheid is de Michaux ook uitgerust met een remsysteem.

Tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1867 worden een aantal van die Michaux-modellen voorgesteld aan het grote publiek. Dat werkt een snelle geografische spreiding in de hand en zorgt ervoor dat de Michaux tot in de Verenigde Staten in het straatbeeld verschijnt. In het Verenigd Koninkrijk krijgt dit model de naam Boneshaker, omdat de berijders door elkaar worden geschud als ze op de hobbelige en met kasseien bezaaide wegen rijden…

In het zog van de Michaux is voor het eerst ook sprake van heuse snelheidswedstrijden. In het Franse park Saint-Cloud (nabij Parijs) vindt in 1868 één van de eerste publieke ‘grand concours de vélocipèdes’ plaats. Ook in eigen land worden al snel wedstrijdjes georganiseerd. Eén van de oudste vermeldingen gaat terug tot 1869, met races in Gent, Roeselare en Brussel. Maar lang niet iedereen is wild van deze uitvinding. Op de openbare weg – dan nog grotendeels in kasseien – jagen de Michaux-gebruikers paarden en hun passagiers dikwijls de stuipen op het lijf. En ook op het voetpad kunnen ze op weinig begrip rekenen. In sommige steden volgen verboden op het gebruik van een Michaux – ook bij de loopfiets was dat soms al het geval ─ of worden de fietsers zelfs verbannen uit openbare plaatsen.

Hoger, sneller en... gevaarlijker

Wanneer de Brit James Starley eind jaren 1860 een Michaux in handen krijgt, gaat hij aan het knutselen. Hij bouwt de Michaux om tot een high bicycle, in het Nederlands bekend geworden als de ‘hoge bi’. Daarmee verschijnt voor het eerst het woord ‘bicycle’ in de geschiedenis van de fiets.

De hoge bi lijkt op een Michaux, maar beschikt over een veel groter voorwiel en een opvallend klein achterwiel. Het idee achter dit type fiets is vrij simpel: hoe groter het voorwiel (de diameter varieert tussen 120 en 180 cm), hoe groter de snelheid en hoe meer afstand wordt afgelegd met één omwenteling van de pedalen. Maar een grote snelheid en fietsen op aarden wegen of ongeplaveide straatjes gaat niet altijd even goed. Ook het opstappen is niet evident. Vaak wordt voor het op- en afstappen bijkomende steun gezocht bij… de dichtstbijzijnde gevel of muur, om dan met behulp van een steuntje vlak boven het achterwiel op de fiets te springen. Onnodig om te zeggen dat er zich met dit type fiets heel wat ongevallen voor deden. In totaal zouden zo’n 300 verschillende types hoge bi op de markt zijn gebracht, ook kleinere modellen die de fietser – hoofdzakelijk behendige jonge mannen ─ iets meer veiligheid en zekerheid moesten bieden.

Opnieuw zijn de gebruikers in eerste instantie jonge mannen afkomstig uit de gegoede burgerij. In een aantal grootsteden verenigen zij zich nu ook voor het eerst in heuse fietsclubs, die tijdens uitjes op het platteland heel wat bekijks lokken. In een aantal gevallen worden zij dan echter bekogeld met stenen, omdat zij met hun hoge snelheden ─ tot 20 km/u op het vlakke ─ mensen maar ook dieren schrik aanjagen. Hoge bi-gebruikers maken daarom wel eens melding van over de weg gespannen ijzerdraad of onder een hoopje bladeren verborgen stenen. Naast een puur recreatieve invulling wordt de hoge bi ook ingezet voor utilitaire doeleinden. Zo bestellen postbodes wel eens aan huis op een hoge bi of houden werfleiders toezicht op de werkzaamheden vanop hun stalen ros.

De tricycle

Als alternatief op de ‘gevaarlijke’ hoge bi, wordt de tricycle gelanceerd. Vooral het Salvo-model van James Starley ─ hij weer – verwerft vanaf 1880 veel populariteit. Het model bestaat uit een kleiner voorwiel en twee grotere achterwielen. De berijder neemt plaats tussen de achterwielen en bestuurt zijn fiets met behulp van een stangencombinatie en/of kettingoverbrengingen. De Engelse Queen Victoria out zich als liefhebber en koopt twee exemplaren. Waarop Starley zijn Salvo prompt omdoopt tot Royal Salvo… Naast eenpersoonsmodellen worden zogenaamde sociable-types gebouwd, waar twee personen ‘gezellig’ naast elkaar kunnen plaatsnemen. En zo verschijnen langzamerhand ook fietsende vrouwen in het straatbeeld. Eerst nog vergezeld door een man – wie weet in wat voor gevaarlijke situaties alleen fietsende vrouwen kunnen terecht komen! – later ook individueel. De tricycle vormt zo een belangrijke stap in de emancipatie van de vrouw, die in deze periode quasi geen rechten en bewegingsvrijheid heeft.

Gelijktijdig met de tricycle worden ook vierwielers en nog andere meerwielige fietsen op de markt gebracht. Transportfirma’s maken gretig gebruik van deze types fietsen, die echter net als de trycicle tamelijk broos zijn. Ondanks zijn bijna aristocratische uitstraling is de tricycle geen lang leven beschoren. De driewieler is duur, zowel in aankoop en onderhoud en de omvang van de fiets belet een vlotte opslag. Maar In ieder geval wordt in deze periode steeds duidelijker dat de fiets op velerlei terreinen kan ingezet worden.

Een safety op luchtbanden

Op basis van de hoge bi wordt verder gewerkt aan een ‘echte’ fiets, zoals we hem vandaag kennen. In 1885 lanceert John Kemp Starley, neef van James, zijn ‘Rover’-model. Dit type fiets bestaat uit twee even grote wielen, heeft een driehoekig frame en wordt aangedreven door een ketting. Helemaal nieuw was het idee van de kettingoverbrenging niet, maar Starley is de eerste die de ketting combineert met een fiets met twee gelijke wielen. Met de Rover is de stap naar de moderne fiets definitief gezet. Omwille van de basisconstructie die tot op vandaag gebruikt wordt, maar ook door het feit dat dit type aanzienlijk veiliger én makkelijker te besturen is dan de hoge bi. Juist omwille van die veiligheid staat de Rover ook wel bekend als de safety bicycle, de veiligheidsfiets. Niet dat Starley in hoofdzaak veiligheid voor ogen had bij de constructie van zijn fietsmodel. Hij wilde vooral de door de fietser uitgeoefende kracht beter tot zijn recht laten komen. Wie bijvoorbeeld met een hoge bi een heuvel wilde beklimmen, kwam al snel in de problemen. Door de positie van het stuur en pedalen ten opzichte van de berijder te optimaliseren, haalt Starley het maximaal mogelijke rendement uit een fiets.

De uitvinding van de luchtband door de Ierse veearts John Dunlop in 1888 maakt het fietsen met de safety nog een pak comfortabeler en vervangt de tot dan toe gebruikte massief rubberen banden. De fiets vindt op brede schaal ingang in de samenleving en wordt populairder dan ooit. Fietsfabrikanten in Europa en de V.S. produceren duizenden safeties per jaar en effenen zo het pad voor de definitieve doorbraak van de fiets.

De geschiedenis van de fiets in vogelvlucht

Zonder fiets geen koers. Onderstaande fiets vertellen elk een deel van het meer dan 200-jarig verhaal van de tweewieler. De eerste vier types illustreren de verschillende stappen die leiden tot het ontstaan van de moderne fiets. De andere getuigen van de creativiteit in de zoektocht naar het ideale model. Ze illustreren ook de vele toepassingen van de fiets: werk, vervoer, recreatie, ...

1817

Draisine

In 1817 bouwt Karl von Drais een bestuurbaar houten vehikel, dat hij Laufmaschine (‘loopmachine’) doopt. Om vooruit te komen, moet je je al zittend met de voeten op de grond afduwen. Zijn loopmachine (ook wel bekend als Draisine) is een succes en kent al snel navolging in andere landen.

1860

Michaux

In de jaren 1860 lanceert de Franse familie Michaux, een nieuw type vélocipède. Niet langer een loopmachine, maar wel een model waarbij de berijder zich moet voortbewegen door te duwen op twee pedalen. Op een Michaux – getypeerd door een iets groter voorwiel ten opzichte van het achterwiel - zijn op het voorwiel vaste trappers bevestigd. Je moet dus blijven duwen, ook als het snel gaat. Daarom wordt vooraan vaak een beugel gemonteerd, waar je je voeten kan opleggen als de pedalen te snel ronddraaien. Omwille van die snelheid is de Michaux ook uitgerust met een remsysteem, dat je activeert door aan de handvaten te draaien.

1870

Hoge bi

De Brit James Starley lanceert eind jaren 1860 een nieuw model dat na verloopt van tijd bekend raakt als high bicycle, in het Nederlands vertaald als de ‘hoge bi’. De hoge bi beschikt over een veel groter voorwiel en een opvallend klein achterwiel. Het idee achter dit type fiets is vrij simpel: hoe groter het voorwiel, hoe meer afstand wordt overbrugd met één omwenteling en dus hoe groter de snelheid.

Deze hoge bi was eigendom van de Waalse kunstfotograaf Léonard Misonne (1870-1943) en werd in 2011 aan het museum geschonken door kleinzoon Michel Misonne.

1885

De safety-bike

In 1885 lanceert John Kemp Starley een frame dat lijkt op een driehoek en een ketting. Helemaal nieuw was het idee van de kettingoverbrenging niet. Starley is echter de eerste die de ketting combineert met een fiets - het woord ‘fiets’ duikt vanaf 1870 op in het Nederlands - met twee gelijke wielen. Met de Rover is de stap naar de moderne fiets definitief gezet. Niet alleen omwille van de basisconstructie die tot op vandaag als uitgangspunt fungeert, maar ook door het feit dat dit type makkelijker te besturen is én aanzienlijk veiliger is dan de hoge bi. Juist omwille van die veiligheid staat de Rover ook wel bekend als de safety bicycle, de veiligheidsfiets.

Deze safety werd gemaakt door het Amerikaanse Columbia.

1895

Dursley-Pedersen

Op basis van de safety (veiligheidsfiets) werken ontwerpers en fabrikanten aan nieuwe modellen. Zo neemt de in Dursley (GB) wonende uitvinder Deen Mikael Pedersen in de jaren 1890 voor het concept van dit type rijwiel een hangmatachtig zadel als vertrekpunt. Schokbestendigheid en aangenaam fietsen zijn z’n voornaamste aandachtspunten – de wegen van toen zijn bijlange nog niet even comfortabel als nu. Van de Dursley-Pedersen worden zo’n 30.000 exemplaren op de markt gebracht. Na de Eerste Wereldoorlog is de creatie van Pedersen over haar hoogtepunt heen. In 1978 begint de Dursley-Pedersen aan een nieuw leven als de Deen Jesper Sǿlling dit type onder de naam Sǿlling Pedersen opnieuw op de markt brengt.

1900

Acatène

In 1891 lanceert de Leuvense ingenieur Joseph Delin samen met zijn schoonbroer Antoine Bodinar het fietsmerk ‘Derby Cycles’. Het allereerste Belgische fietsmerk is een feit. In hun zog kiezen ook verschillende andere ondernemers voor de productie van fietsen. FN (Fabrique Nationale d’Armes de Guerre) en Saroléa, beide wapenfabrikanten uit Herstal nabij Luik, bijvoorbeeld gaan ook fietsen maken. De stap is voor hen niet zo groot aangezien ze over de nodige kennis en infrastructuur beschikken om staal te verwerken.

FN lanceert met de acatène, een kettingloze fiets waarbij de overbrenging gebeurt met tandwielen in plaats van een ketting, een product dat al snel wereldfaam geniet. Ten opzichte van fietsen met een ketting heeft de acatène het voordeel dat de overbrenging niet kan breken. Maar een kettingloze fiets vergt meer technische kennis en is minder geschikt om wedstrijden mee te rijden. Kort na de Eerste Wereldoorlog wordt de productie van de acatène definitief stopgezet. FN telt op dat moment naast wapens en fietsen ook al wagens en moto’s in haar aanbod.

1923

Vélastic

De Franse broers Vialle zetten dit type fiets in 1925 voor het eerst in elkaar in hun fietsfabriek Etablissements Industriels des Cycles Elastiques. De naam van hun product, Vélastic, is bijna nog ingenieuzer dan de fiets zelf omdat het zo mooi de eigenschappen van deze fiets verwoordt. Een groot deel van het frame van deze fiets wordt gevormd door een bladveer, die dienst doet als zitbuis. Het zadel is verstelbaar in de hoogte: een grotere fietser schuift een extra stukje bladveer uit en zal op die manier van nog meer vering kunnen genieten.

Net als bij de Dursley-Pedersen ligt de zoektocht naar meer comfort aan de basis van dit model. In advertenties wordt de Vélastic niet alleen aangeprezen als ‘net zo comfortabel als een leunstoel’, maar ook als de opvolger van de loopmachine, de hoge bi en de safety. Kortom, als een nieuwe stap in de evolutie van de fiets. Nóg een voordeel: de fiets kan zowel gebruikt worden door mannen als vrouwen. Het idee van een verend zadel duikt eind jaren tachtig in een nieuwe vorm op wanneer het Amerikaanse bedrijf Softride’s Suspension Systems uitpakt met een zwevend zadel, waarmee ze prompt de eerste prijs pakken op een prestigieuze internationale fietsbeurs.

1930

Herenfiets Van Hauwaert

Dankzij een verregaande democratisering is de fiets begin 20ste eeuw niet langer een exclusief speeltje voor de rijken. De fiets groeit uit tot hét vervoersmiddel van de gewone man (en vrouw) en kleurt het straatbeeld: arbeiders fietsen van en naar het werk, vroedvrouwen gaan per fiets op huisbezoek, gezinnen genieten van een uitje op de velo,.. Wielerkampioen Cyriel Van Hauwaert (Bordeaux-Parijs 1907, Parijs-Roubaix en Milaan-San Remo 1908,..) speelt in op die hype en lanceert in 1913 zijn eigen merk van koersfietsen, iets wat heel wat renners hem overigens nog zullen nadoen. Hij doopt zijn merk ‘Lion des Flandres’, uiteraard een verwijzing naar zijn bijnaam als renner: de ‘Leeuw van Vlaanderen’.

In de jaren twintig brengt Van Hauwaert ook een lijn gewone dames-, heren-, en kinderenfietsen op de markt. Vanuit zijn hoofdzetel in Brussel produceert Van Hauwaert op jaarbasis meer dan 10.000 fietsen, waarvan de helft naar Belgisch-Congo geëxporteerd wordt. In de jaren zestig – niet toevallig kort na de onafhankelijkheid van Congo – gaat Van Hauwaert op pensioen, ook al omdat de fietsenindustrie in eigen land te lijden heeft onder de opkomst gemotoriseerd verkeer.

1930

Damesfiets Mercedes

Fietsende vrouwen zijn eind 19de eeuw eerder uitzondering dan regel. Fietsen wordt in die dagen (net als de meeste sporten) geassocieerd met kracht en mannelijkheid. Vrouwen op de fiets stuiten op kritiek, niet alleen vanuit medische – fietsen zou vrouwen onvruchtbaar maken – maar ook vanuit katholieke hoek. Pastoors veroordelen vanop de preekstoel publiekelijk fietsters terwijl de paus zelfs de Bloomer, een broekrok voor fietsende dames, als onzedig bestempelt. Een vrouw hoort aan de haard en niet op een fiets, dat is de centrale gedachte in een door mannen gedomineerde maatschappij. Ondanks alle tegenkantingen zetten heel wat vrouwen door. De fiets vervult zo een niet te onderschatten rol in de emancipatie van de vrouw. Dankzij de fiets kunnen vrouwen letterlijk hun horizon verleggen. Na de Eerste Wereldoorlog zijn fietsen vrouwen niet langer een curiosum.

Deze damesfiets dateert van ca. 1930 en werd gebouwd door het Duitse Mercedes-Benz. Net als een resem wapenfabrikanten wagen ook andere ondernemers uit de metaalsector zich aan de productie van fietsen. Autobouwers Mercedes-Benz, Peugeot, Opel en Skoda zijn daar voorbeelden van.

1940

Militaire plooifiets BSA

Speciaal voor militaire doeleinden wordt eind 19de eeuw de vouwfiets ontworpen. De Franse kapitein Gérard ontwierp een bijzonder handig plooimodel, dat in één minuut kan worden gevouwen en op de rug gehangen. De komst van de fiets in het leger wordt niet meteen bij iedereen op gejuich onthaald. Zo ziet de almachtige cavalerie haar positie door ‘het stalen ros’ in het gedrang komen. Toch zijn de voordelen van een fiets ten opzichte van een paard vaak groter: soldaten per fietsen opereren geruislozer en een fiets hoeft in tegenstelling tot een paard geen eten en drinken.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vervullen fietsende soldaten (‘cyclisten’) een niet onbelangrijke rol. Ook tijdens WOII wordt de militaire plooifiets actief ingezet, onder meer aan de Normandische kust. Het tentoongestelde type fiets werd gemaakt door de Britse ex-wapenfabrikant BSA (British Small Arms). Dit model blijft ook na 1945 populair. Zo lanceert het Italiaanse modemerk Trussardi in 1983 met de Trussardi-plooifiets een luxueuze heruitgave van de BSA. In tegenstelling tot andere plooifietsen behield Trussardi de oorspronkelijke grote wielen.

1949

Toeristenfiets Liviano

Al vanaf de prille begindagen van de fiets verkennen fietsfanaten hun directe omgeving met de tweewieler. Georganiseerde tochten, vooral ingericht door fietsclubs, zijn erg populair. De fiets werkt letterlijk grensverleggend en horizonverruimend. Maar fietsclubs bieden niet alleen ontspanning. Ze ijveren samen met belangenverenigingen ook voor betere fietsfaciliteiten. Gescheiden en berijdbare fietspaden moeten het dagelijks fietsgebruik doen toenemen en ongelukken vermijden. In de jaren dertig is de fiets meer dan alleen maar hét (functionele) vervoermiddel bij uitstek. Fietsen staat ook synoniem voor ontspanning voor de man en vrouw met de pet.

Deze op maat gemaakte fiets uit 1949 behoorde toe aan Louis Schatteman uit Opwijk, die met dit exemplaar fietsreizen maakte in Zwitserland, Frankrijk en Oostenrijk. Om de bergen over te komen, is de fiets van het merk Liviano uitgerust met twee tandwielen vooraan. Het kleinste tandwiel telt 28 kroontjes, het grootste 52. De fiets heeft aangepaste staande achtervorken voor extra bagage.

1955

Herenfiets Raleigh

De Britse fietsengigant Raleigh onderscheidt zich jarenlang met de slogan ‘The all steel bicycle’. Raleigh-fietsen werden - sinds 1896 - in Nottingham samengesteld, in een fabriek van meer dan 70 hectare waar alle onderdelen van a tot z werden gefabriceerd. Uiteraard allemaal van staal. Dit type fiets dateert van circa 1955 en heeft een batterijhouder waar een standlicht en het achterlicht op aangesloten zijn. De fiets had oorspronkelijk een naafdynamo maar deze is mettertijd vervangen door een ‘reguliere’ dynamo. Bemerk ook de opvallende positie van het slot. Niet ter hoogte van het achterwiel maar wel op de voorvork.

Raleigh tekent niet alleen voor de allereerste fietsen uit staal, maar ook voor de allereerste fiets met drie versnellingen, dankzij het in de naaf ingebouwde Sturmey-Archer versnellingsapparaat, te bedienen aan het stuur. In de jaren zeventig sponsort Raleigh een eigen wielerploeg (onder leiding van Peter Post) waarmee het de Europese fietsenmarkt wil veroveren.

1976

Minifiets Moulton Stowaway

In de jaren vijftig boet de fiets aan populariteit in. Auto’s en motorfietsen zijn de nieuwe (betaalbare) hype en lijken de fiets uit het straatbeeld te verdringen. Tot zich in 1956-1957 een eerste oliecrisis in het Midden-Oosten voordoet, met een aantal van overheidswege opgelegde autoloze dagen tot gevolg. Aangestoken door die ontwikkelingen, gaat de Britse ingenieur dr. Alexander Moulton op zoek naar alternatieven. Hij stapt af van het tot dan toe gangbare concept van de fiets en lanceert in 1962 de allereerste minifiets, gekenmerkt door kleine banden en een unisex frame. Moulton inspireert zich voor zijn model op de Mini Cooper, ontworpen door een bevriende ingenieur. Hoewel dit type fiets (‘Stowaway’) geen echte vouwfiets is – het stalen frame is enkel uitschuifbaar – heeft het toch veel bijgedragen tot de verdere ontwikkeling ervan.

Het succes van Moulton geeft de fietsindustrie een boost en ligt aan de basis van een heuse ‘renaissance van de fiets’. Als begin de jaren zeventig een nieuwe oliecrisis losbarst, ontketent zich een echte (vouw)fietsenhype in de Lage Landen. Net in die periode komt het Britse Bickerton op de markt met een lichtgewicht, eenvoudig in te klappen vouwfiets. Deze fiets groeit in 1976 uit tot de intussen wereldberoemde Brompton-vouwfiets.

1982

Itera plastic fiets

Als de Zweedse autofabrikant Volvo eind jaren zeventig steeds meer kunststof-onderdelen in haar wagens verwerkt, rijpt bij de directie het idee om in de marge ook een plastic fiets te ontwerpen. De pers krijgt in 1981 het eerste resultaat te zien: de Itera, een fiets die nagenoeg volledig is opgebouwd uit composiet (plastic verhard met glasvezel). Volgens de makers zijn de voordelen legio: roestvrij, licht, goedkoop en opgewassen tegen alle weersomstandigheden. Belgische adverteerders voegen daar nog aan toe dat de Itera “bestand is tegen het fiets-verwoestende Belgische klimaat.”

Nog opvallend: kopers krijgen de fiets in losse onderdelen in een doos opgestuurd en moeten Ikea-gewijs zelf aan de slag. Maar de dozen blijken niet altijd alle onderdelen te bevatten. Al snel wordt ook duidelijk dat de fiets erg vatbaar is voor temperatuurschommelingen én op de koop toe tamelijk gammel is. De populariteit van de Itera kent daarom slechts een kortstondige piek. In 1985 wordt de productie van de Itera definitief stopgezet nadat in totaal zo’n 30.00 exemplaren van de band rolden.

2012

Fixie Eddy Merckx

In de jaren tachtig maken fietskoeriers furore in de Verenigde Staten. Koeriers op een fiets blijken een pak sneller dan het almaar vaker dichtslibbende autoverkeer in de grootsteden. Op hun zogenaamde fixies (of singlespeeds) slalommen ze door de straten en brengen ze in een mum van tijd allerhande pakketjes rond. Door hun aparte job en afwijkende fietsen vormen ze al snel een eigen subcultuur. ‘Fixies’ of fixed gears zijn fietsen met één enkele versnelling en zonder vrijwiel, fietsen waarbij je dus moet blijven trappen. Remmen doe je door de pedalen achterwaarts te draaien. Het voordeel van een fixie ten opzichte van een reguliere fiets met remmen en versnellingen? Een fixie telt weinig onderdelen die stuk kunnen gaan. Los van een ketting en één tandwiel is er verder nagenoeg niets dat onderhoudsgevoelig is.

Deze fixie (weliswaar voorzien van een voor- en achterrem) wordt door fietsfabrikant Eddy Merckx in 2012 op de markt gebracht, in een periode waarin de fixie in grootsteden een heuse revival kent. Het is een eerbetoon brengen aan het werelduurrecord dat Merckx veertig jaar eerder (1972) vestigde in Mexico, uiteraard op een pistefiets zonder versnellingen.

Start

1817
R0003 01

Draisine

1860
R0008 01

Michaux

1870
R0393 01

Hoge bi

1885
R0019 01

De safety-bike

1895
R0304 01

Dursley-Pedersen

1900
R0394 01

Acatène

1923
R0022 01

Vélastic

1930
R0028 01

Herenfiets Van Hauwaert

1930
R0021 01

Damesfiets Mercedes

1940
R0176 01

Militaire plooifiets BSA

1949
R0444 01

Toeristenfiets Liviano

1955
R0252 01

Herenfiets Raleigh

1976
R0171 01

Minifiets Moulton Stowaway

1982
R0244 01

Itera plastic fiets

2012
R0564 01

Fixie Eddy Merckx

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.