Ronde van Frankrijk
longread
retro

La Grande Bouffe. Bevoorradingen tijdens de Tour

12min leestijd   door Dries De Zaeytijd op 22 juni 2021
Tourbaas Henri Desgrangse wist het al in 1898 : “de maag van een wielrenner is als het vuur van een locomotief, dat onafgebroken branden moet.” Een renner met een lege maag is een vogel voor de kat en valt ten prooi aan de fringale, de beruchte hongerklop die al menig renner figuurlijk van zijn fiets sloeg. Tegen die dreiging bestaat slechts één remedie: eten, eten en nog eens eten. Niet alleen voor en na een etappe maar vooral tijdens de wedstrijd. Daarom voorziet de Tourdirectie in elke rit één, twee of – bij uitzondering tijdens zware bergetappes – drie bevoorradingposten. Naast het inslaan van eten en drinken moet de renners er ook het controleblad tekenen.

Coureurs

De strijd tegen de hongerklop start van bij het opstaan. “Gewone stervelingen wrijven ’s morgens rustig de slaap uit hun ogen en drinken een kop koffie of thee. Wielerhelden denken op dat moment maar aan één ding: honger! Eten!” De ouderwetse Tourrenner stilt zijn ochtendlijke hongergevoel met een copieuze maaltijd. Op de ontbijttafel: eieren met hesp, gekookt vlees, flink beboterde boterhammen, confituur en witte wijn, afgekruid met een dozijn suikerklontjes “om kracht te geven”. Op zich misschien geen onoverkomelijke hoeveelheid voedsel, ware het niet dat de renners vaak om drie of vier uur ’s morgens moesten starten… Kort voor de start vult het Tourpeloton haar musette met ravitaillering voor onderweg. Lucien Buysse, Tourwinnaar in 1926, laat journalist Jan Cornand in 1957 optekenen dat hij elke Touretappe begon met in zijn eetzak “een kwart kilo suiker, vier rauwe eieren, drie grote schaapskoteletten, twee gezonde kiekenbillekens, drie sandwiches met confituur of hesp en wat fruit. Tegen dat we in de eerste controle waren, was de eetzak altijd uitgekuist en sloeg ik weer dezelfde voorraad in!”

De maag van een wielrenner is als het vuur van een locomotief, dat onafgebroken branden moet.
Henri Desgrange

Gepakt en gezakt en met stampvolle maag overleeft het peloton de eerste wedstrijdkilometers. ‘Ieder nadeel heeft zijn voordeel’ want in een peloton vol bolle buiken denkt geen sterveling aan een vroege vlucht. De Belg Gustaaf Van Slembrouck durft in die fase van de koers de fotografen wel eens ter wille zijn. Poserend met een sigaret in de mond of gekke bekken trekkend met één been op het stuur; het levert mooie plaatjes op. Naast sigaretten, die Van Slembrouck naar eigen zeggen nodig heeft “om in forme te geraken”, is olijke Gust wel te vinden voor een koteletje als tussendoortje. Niet iedereen houdt zich aan die ongeschreven regel om het in de beginfase rustig aan te doen. De vermaledijde Fransman en notoire driftkikker Henri Pélissier durft die regel wel eens te overtreden. Makkelijk voor hem want hij is één van de eerste en enige renners die zich ’s morgens niet helemaal volpropt. Zijn afwijkend voedings- en koersgedrag wordt maar lauw onthaald in het peloton.

Wanneer de eerste (vliegende) controlepost zich aandient, golft een eerste vlaag van nervositeit door het peloton. Missie van de renners: zo snel mogelijk een controlestempel op de hand versieren. Vijfenzeventig kilometer verder begint pas echt het grote werk. Bij het binnenrijden van het uitverkoren dorp hoor je al het geroezemoes en het gejoel van een massa supporters. Net daar, vlak tegenover één van de vele plaatselijke dorpscafés, beleeft het peloton haar dagelijks hoogtepunt van rennersnervositeit: de eerste vaste bevoorradings- en controlepost.

Revitailleurs

De aankomst van de renners aan de vaste bevoorradings- en controlepost is voor de mannen achter de tafel hét sein om zich in het zweet te werken. Een duwend kluwen van renners (met fiets in handbereik) zo snel mogelijk bedienen is geen sinecure, maar het gebeurt toch in stijl, dat moet gezegd. Heel vaak gaan de mannen achter de tafel getooid in een witte jas en voorzien ze hun geïmproviseerde eettafel van een kreukloos laken. Om het geheel af te maken duikt her en der een ruiker bloemen op. Orde en elegantie… tot de eerste horde renners opduikt.

Het brein achter de organisatie van deze bevoorradingsposten is Maurice Machurey, door Tourbaas Henri Desgrange bestempeld als ‘het werkpaard’ van de Tour. Samen met een aantal vaste assistenten voorziet deze ‘chef ravitaillering’ de renners onderweg van eten en drinken. De vaste equipe van Machurey bestaat sinds 1919 uit Lagouche, een garagist, Bonnefoy, een fotograaf, Napoli, souschef in een ‘grand magasin’, Morane, een kolenhandelaar, en Cauet, een uitbater van een taxibedrijf. Voor de organisatie ter plaatse kan het zestal veelal rekenen op een schare enthousiaste wielerfanaten uit plaatselijke wielerclubs.

Al een aantal maanden voor de start van de Tour gaan de troepen van Machurey aan de slag. Jaarlijks hebben zij in totaal zo’n 5.000 bidons, 2.000 musettes (die de renners voor de start al kunnen volproppen) en maar liefst 20.000 papieren zakken nodig. Bestellingen die best ruim op voorhand worden geordonneerd. Machurey zelf bepaalt ruim op voorhand de locaties van de bevoorradingsposten. Meestal grenzen die aan een café, in die dagen de meest populaire plek in het dorp en nagenoeg altijd centraal gelegen.

Op de dag van de Tourpassage verdelen de ravitailleurs bergen chocolade, bananen, koekjes, taartjes, suikerklontjes en kippenbillen over de bevoorradingstafels. Aan de renners om hun menu samen te stellen. Tussendoor zetten hun handtekening op het controleblad. Als de Belg Henri Parmentier voor de tafel opduikt, weten de ervaren mannen van Machury wat volgen zal. Parmentier verzamelt volgens het Franse sportblad Le Miroir des Sports op de vaste posten steevast het volgende: 1 bidon thee, 1 bidon Vittel, 2 eieren, 1/4e kip, 2 sandwiches met hesp, 2 met kaas en 2 met confituur, 2 rijsttaartjes, 6 droge taartjes, 2 bananen, 2 sinaasappelen, pruimen, rozijnen, suikerklontjes en een reep melkchocolade. Genoeg voor 5 kg proviand. Niet verwonderlijk dat hij in Le Miroir gedeclameerd wordt tot recordhouder van de ‘boustifaille’!

Fournisseurs

Na de passage van Parmentier en zijn kornuiten rest één grote ravage, alsof de achtste Plaag van Egypte (die van de sprinkhanen) net achter de rug is. Samen met zijn ravitailleurs stelt Tourbaas Henri Desgrange ieder jaar opnieuw vast dat het spijzen van de hongerigen meer is dan alleen maar een werk van barmhartigheid. Integendeel, het kost zijn organisatie een aardige stuiver. In 1929 lijkt Desgrange er eindelijk van overtuigd dat sponsoring door voedingsproducenten een goeie strategie kan worden. Dat jaar verschijnen in Desgranges sportkrant L’Auto voor het eerst advertenties van onder meer ‘Biscottes Delft’; een traditie die ruim 30 jaar vroeger al gelanceerd was door het wielerblad Véloce-Sport. ‘Biscottes Delft’ propageert zichzelf als ‘fournisseur officiel du Tour de France’.

Wanneer Desgrange in 1930 de merkenploegen vervangt door landenploegen, moet hij meteen ook op zoek naar nieuwe gelddonoren. Hij zet zijn wedstrijd open voor een heuse reclamekaravaan waar naast La Vache qui rit ook al snel aperitiefproducenten Pernod en Byrrh een plekje afdwingen. De Franse chocoladefabrikant Menier ziet het nog grootser en sponsort meteen het bergklassement. Weinig later is er sprake van een heus ‘eetdorp’, waar renners kunnen proeven van uiteenlopende voedingsproducten. ‘Café Standard’ omschrijft zich in L’Auto van 30 juli 1934 als ‘een habitué’ in de Tour: “Men zou eens moeten komen kijken met welke geestdrift renners zich verdringen aan onze stand, om bij ons de laatste restjes slaap door te spoelen.”

5. Reclame Martini & Rossi
"Het is niet toevallig dat wij de beste klimmers sponsoren."
Aperitiefdrank Martini & Rossi (Tour 1934)

Op de bevoorradingstafel zelf dingen Ovomaltine en chocolade Menier naar de beste plaatsen. De kopjes chocolademelk dragen de merknaam Menier, de grote kommen met water zijn gesponsord door Ovomaltine. Menier prijkt bovendien als eerste sponsor ooit op de Tourmusettes. In de marge duiken ook andere merken op, zoals ‘Porto Aviz’, dat in 1934 voor het eerst sponsort en naar eigen zeggen ‘goed onthaald werd’. Aperitiefdrank ‘Rossi’ is er stellig van overtuigd dat ook zij een bepalende rol spelen in het koersverloop: “het is niet toevallig dat wij de beste klimmers sponsoren.”

Duiken in de Tour van 1934 nog op als sponsor: Cointreau, nougatfabrikant Chabert & Guillot, Twinning Thé en apertiefdrank Ricqles “qui donne le coup de fouet nécessaire au moment de l’effort”.

Voyeurs

Eén van gevolgen van een vaste controle is de chaos van renners en supporters. Renners duwen en trekken om toch maar als eerste het controleblad te tekenen; supporters dingen naar het beste plaatsje om dit schouwspel van op de eerste rij te beleven. Al in 1911 bericht sportkrant Sportvriend het volgende: “om 5.15u stormen zij met dertig tegelijk de kontrool binnen. Het zicht is prachtig en de strijd om den pennestok allerhevigst. ’T is een roepen en een tieren van al de duivels en Masselis, na goed gedronken en zijne vrouw een hand gegeven te hebben, is er eerst van onder…” Ook L’Auto heeft weet van duizenden toeschouwers bij de bevoorradingsposten. Tijdens de Tour van 1924 zouden op 6 juli volgens de krant 25.000 toeschouwers hebben postgevat in en rond bevoorradingsplek Nîmes. Na de passage van de eerste groep liep het fout. Het massaal aanwezige publiek zorgde voor een totale opstopping van de weg. De politie had heel wat werk om de doorgang opnieuw te verzekeren.

Lepe renners zagen in die chaos hun kans om er stiekem van onder uit te muizen. De Fransman Antonin Magne probeert het in de Tour van 1936. Verslaggever Karel Van Wijnendaele is verbolgen over Magnes linke truc: “Magne sluipt heel voorzichtig achter de haag toeschouwers weg. Maar Sylveer Maes die altijd uitgeslapen was, had het gesnapt en zag hem tussen het volk wegrijden”. Maes zet samen met zijn Belgische ploegmaten een succesvolle achtervolging op en pakt Magne terug. “Van strafmaatregelen tegen Magne hebben we niets gehoord,” aldus nog Van Wijnendaele.

Eénmaal het gewoel en gejoel op en rond de bevoorradingsposten verteerd, kan de koers echt verder gaan. Renners die de verstikkende drukte aan de bevoorradingspost proberen te omzeilen door elders wat eten en drinken aangereikt te krijgen, zijn eraan voor de moeite. De Belg Jacques Coomans wordt samen met een kompaan ‘betrapt’ wanneer ze onderweg ongeoorloofd bevoorraad worden door ‘un Belge civil’. Eén dag later verschijnt – pro memorie van de renners met een vluchtig geheugen – een artikel met uittreksels uit het Tourreglement. Gebod twee luidt dat renners niet op voorhand mogen afspreken om bevoorrading te krijgen, geen enkele hulp mogen aanvaarden én zelf water moeten opputten uit bronnen en fonteinen; een reglement dat pas in 1926 wordt opgeheven. Wie overtredingen begaat, krijgt extra tijd aan zijn broek

Spectateurs

Kort na de Tweede Wereldoorlog verdwijnen de vaste bevoorradingsposten van het menu. Vanaf dan reiken soigneurs in afgebakende ravitailleringszones hun coureurs musettes aan, en is het niet meer verboden drank van supporters aan te nemen. Niet dat het de Tour dan aan eettradities en -folklore gaat ontbreken. Door het verdwijnen van de monsteretappes mag de beruchte fringale dan wel iets minder toeslaan; de loden zon blijft (door de band) trouw op post in het zomerse Frankrijk. Waar het publiek bij vaste bevoorradingsposten de renners nog de doorgang belemmerde, blijken de fans nu een bijna onmisbare hulp in de zoektocht naar drank. Als de supporter toch niet zomaar zijn drankvoorraad wil afstaan, rest de dorstige Tourrenner slechts één uitweg: het dichtstbijzijnde café binnenduiken en snel snel een aantal flessen meegrissen. Overigens niet altijd tot groot jolijt van de eigenaar zelf. Vooruitziende renners dragen altijd een kleine voorraad geld bij zich en worden net iets vriendelijker bejegend dan hun gieriger collega’s. Die laatsten hadden trouwens numeriek overwicht. Ook onwetende drankleveranciers op weg naar een volgend café zijn een makkelijk doelwit in de zogenaamde ‘chasse à la cannette’. Openbare fonteinen zijn ook erg in trek maar vormen wel een risico voor de darmflora van de renners…

Onwetende drankleveranciers op weg naar een volgend café zijn een makkelijk doelwit in de ‘chasse à la cannette’.

Pas eind de jaren 1960 krijgt het Tourpeloton de toestemming om ook buiten de vastgelegde bevoorradingszones extra drinken te gaan ophalen bij de sportdirecteur. En in 1998 bevoorraadt de Tourdirectie voor het eerst via motards, wat de plundertraditie meteen definitief naar het verleden verwijst. Enkel in het hooggebergte grijpt een dorstige renner nu nog wel eens naar een aangereikte fles water.

De systematische plunderingen mogen dan allang verleden tijd zijn en de vaste bevoorradingsposten al geruime tijd ingewisseld voor bevoorradingszones; één ding blijft zeker: la machine à besoin de charbon. Of het nu om kippebillen, eieren, gelletjes of energierepen gaat, wie zonder kolen valt, voelt zijn locomotief ongenadig stilvallen. Ten prooi aan de fringale rest de lijdende renner ook anno 2012 maar één ding: eten, en liefst op tijd!

Bibliografie

  • Programmabrochure Tour de France 1936.
  • Sportwereld
  • L’Auto
  • Le miroir des sports
  • Sportvriend
  • J. Cornand, Humor en tragiek uit de Tour, Gent, 1957.
  • R. Couwenhoven, De pioniers van de wielersport, Baarn, 2006.
  • A. Scheepmaker, Eten en drinken bij de Tour de France, ’s Gravenhage, 1991.
  • H. Desgrange, La tête et les jambes, Parijs, 1894.
  • Karel Van Wijnendaele, Mensen en dingen uit de Ronde van Frankrijk, Tielt, Lannoo, 1948.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.