Olympische Spelen
longread
retro

Eeuwig tandem. Daniël Goens en Robert Van Lancker blikken terug op Mexico 1968

door Rik Vanwalleghem op 19 juli 2021
Op de Olympische Spelen van 1968 in Mexico behaalde de Belgische delegatie geen enkele gouden medaille. Er was zilver voor gewichtheffer Serge Reding, de spurters Daniël Goens en Robert Van Lancker behaalden op de piste brons in het onderdeel tandem. Tot zover de Belgische oogst. Reding werd een naam als een klok, Goens en Van Lancker hielden nauwelijks enige naam en faam over aan hun opmerkelijke prestatie. “Maar we zijn wel nog steeds dikke vrienden”, zeggen de in het Brusselse wonende zeventigers. “Dat is ook al iets. Sinds Mexico vormen we een tandem. Eerst op, later ook naast de fiets. Voor eeuwig.”

De 19de Olympiade, gehouden van 12 tot 27 oktober in Mexico, raakte bekend als de Spelen van verspringer Bob Beamon en zijn legendarische 8,90 meter, van de revolutionaire Flosbury-flop in het hoogspringen, van het – nog steeds actuele – Black Power-tumult met de lederzwarte, in de lucht gestoken vuisten van Tommie Smith en John Carlos.

De olympische selectie

Goens en Van Lancker hadden een jaar eerder hun selectie verdiend op de eveneens in Mexico gehouden pre-olympische spelen, die vooral waren bedoeld om de gevolgen van extreme inspanningen op grote hoogte (Mexico ligt meer dan 2.200 meter boven de zeespiegel) in te schatten. “Hebben wij nooit enige last van ondervonden”, zegt Goens. “Een tandemnummer liep over 2.000 meter. Explosiviteit primeerde. Ontploffen was de boodschap. Tegen de tijd dat je drie keer had ingeademd, was het nummer al voorbij. In disciplines waar uithouding primeerde, speelde de grote hoogte natuurlijk wel een cruciale rol.”

Een tandemnummer liep over 2.000 meter. Ontploffen was de boodschap. Tegen de tijd dat je drie keer had ingeademd, was het nummer al voorbij.
B1023388
Daniël Goens

Op die pre-olympische spelen zorgden Goens en Van Lancker voor sensatie door goud te pakken. “Eerder in 1967 hadden we op het WK in Amsterdam op de tandem brons behaald”, zegt Goens. “We waren broekjes nog. Maar individueel waren we sterk. En samen nog sterker. Onze mayonaise pakte. We waren een twee-eenheid uit de duizend.”

Het tandemduo

Daniël Goens

Vooreerst waren Van Lancker en Goens individueel spurters pur sang. Massa’s genetisch kruit in de kuiten. Iets wat bij hun allereerste pedaalstoten meteen duidelijk was geworden. “Op mijn zestiende kreeg ik van mijn nonkel een koersfiets cadeau”, zegt Goens, die opgroeide in Neder-over-Heembeek. “Ik ging koersen bij de niet-aangeslotenen. Ik probeerde het ook op de piste, meer bepaald in het sportpaleis van Schaarbeek, aan de rand van het Josaphatpark, waar op woensdag jongerenwedstrijden werden gehouden. De wintervelodroom, zoals hij werd genoemd, was een indrukwekkend gebouw waar de Zesdaagse van Brussel werd gereden en waar Eddy Merckx en Patrick Sercu elkaar hadden leren kennen. Ik was trouwens, net als Merckx, aangesloten bij wielerclub Evere Kerkhoek Sportief. Hij is een paar jaar ouder dan ik, maar we trainden af en toe samen. Tja, de piste van Schaarbeek. Houten baan, 235 meter lang. Nostalgie. Men organiseerde er, naast hoofdzakelijk wielerwedstrijden, van alles en nog wat: boks- en turngala’s, circusvoorstellingen, windhondenrennen, …. In 1966 gaven de Rolling Stones er hun eerste optreden in België. Maar de exploitatie was verlieslatend. Eind ‘66 werd er nog de Grote Prijs van de Koning gereden, in aanwezigheid van prins Albert en prinses Paola. Maar toen viel het doek. Het complex werd afgebroken, om plaats te maken voor de Brusilia-woontoren…”

Maar op de baan van Schaarbeek had Goens in ieder geval het klappen van de pistezweep leren kennen. Door zijn aangeboren snelheid won hij ook op de weg meteen enkele koersjes, jaarlijks zo’n tien à vijftien stuks. Maar het was vooral op de piste waar hij open bloeide en in de snelheidsnummers hoge ogen gooide.

“Ik ging toen al gaan werken”, zegt hij. “In een papierwinkel. Ik stond om vijf uur op, ging anderhalf uur trainen, dan naar het werk. Op woensdag meldde ik me geregeld ziek, zodat ik op de wintervelodroom kon gaan fietsen. Op een dag won ik er bij de nieuwelingen het nationaal kampioenschap. Een dag later stond dat in de krant, mèt foto. Wat mijn baas niet was ontgaan. ‘Ik dacht dat je ziek was’, zei hij verontwaardigd. En ik werd meteen op straat gezet. Van toen af zette ik alles op de koers, meer bepaald op de piste. Niet zonder enig succes. Bij de amateurs verzamelde ik zes nationale titels, verdeeld over omnium, ploegkoers, km stilstaande start en tandem.”

Robert Van Lancker

Robert Van Lancker, geboren in Grâce-Berleur nabij Luik, was bij de kadetten een begenadigd voetballer en stond op het punt een transfer te maken naar Standard. “Maar mijn vader, die zelf bij de onafhankelijken had gereden naast toppers als Impanis en Cerami, duwde me de wielersport in”, zegt hij. “En ik aardde er meteen. Net als bij Daniël vooral dankzij mijn intrinsieke snelheid. Die explosiviteit kwam nog meer tot haar recht op de piste van Rocourt, waar op dinsdag en donderdag jeugdopleidingen werden gehouden en ik al vlug oudere rivalen het nakijken gaf. Ik werd provinciaal kampioen in de sprint, haalde in het nationaal kampioenschap de finale, waar ik tegen Freddy Helssen de duimen moest leggen. Maar ik bleef progressie maken, ook internationaal.”

Match made in... 't Kuipke

Het was Oscar Daemers, directeur van het Gentse Kuipke en bondscoach, die de twee spurtbommen bijeenbracht op de tandem. “Onze individuele snelheid was hem uiteraard niet ontgaan”, zegt Van Lancker. “Hij riep ons bijeen om het op de ruime piste van Antwerpen even te proberen. Dat bleek uitermate mee te vallen. We bleken niet alleen als atleet op elkaar te zijn afgestemd, ook op menselijk vlak klikte het meteen.”

“Daemers had natuurlijk een reputatie”, grinnikt Goens. “Maar hij had ook niet alle wijsheid in pacht. Zo wilde hij op een dag dat wij ook in zijn Kuipke de tandem zouden uitproberen. Robert en ik keken elkaar aan van ‘Is hij nu helemaal op zijn hoofd gevallen?’ Tandemrijden op een piste van 166,66 meter lang, met een hellinggraad in de bochten van meer dan vijftig procent. Als je dan op volle snelheid de bocht induikt, zoek je problemen natuurlijk. Ons vehikel zou nooit de druk kunnen opvangen die erop werd ontwikkeld, dachten we. Iets wat we Daemers probeerden duidelijk te maken. Maar hij bleef aandringen, met in het achterhoofd wellicht dat een spectaculair nummer als de tandem het Gentse publiek ten zeerste zou kunnen bekoren. Bij de eerste test was het al prijs. Eens we wat snelheid maakten, werd de druk op onze tandem zo groot, dat we door ons achterwiel zakten en onderuitgingen.”

Synchronisatie, evenwicht en vertrouwen

“Een erg aparte discipline toch, dat tandemrijden”, zegt Van Lancker. “Je moest uiteraard het volste vertrouwen hebben in elkaar. En meer bepaald moet de man achterop, en dat was in ons geval Daniël, er maar blind van uitgaan dat de man aan het stuur, ik dus, de juiste beslissingen nam.”

“Het is vooral een kwestie van synchronisatie en evenwicht”, zegt Goens. “Vooral bij de versnelling, als je zo vlug mogelijk topsnelheid wil bereiken, moet je synchroon kracht ontwikkelen, zodat de ene niet veel harder of zachter op de pedalen stampt dan de andere. Je moet op ieder moment zoveel mogelijk dezelfde kracht ontwikkelen, zodat de omwentelingen soepel verlopen. En uiteraard was ook de communicatie belangrijk. Als wij bij de aanloop de koppositie innamen, moest ik geregeld achteromkijken en in de gaten houden wat er achter onze rug gebeurde, en een sein geven als we volle bak moesten gaan.”

Goensen V Lwinnenvandenedkampioenen
Bij een tandemrit kwam er heel wat minder tactiek kijken dan in de individuele snelheid. Bij het tandemrijden kwam het meestal neer op een lange spurt van zo’n zevenhonderd meter, waarbij in de regel de sterkste, en niet de leepste, won.
Robert Van Lancker

“Bij een tandemrit kwam er heel wat minder tactiek kijken dan in de individuele snelheid”, zegt Van Lancker, die in deze laatste discipline met zes nationale snelheidstitels en twee wereldtitels (1972 en 1973) tot de absolute top behoorde. “In het individuele nummer speelde slimmigheid en intimidatie een veel grotere rol. Psychologische oorlogsvoering, vooral bij het mekaar opdringen van de koppositie. Tergend traag rijden hoog in de bocht, of surplacen, waren daarbij gedegen wapens. De Italianen waren kampioenen in het elkaar op de zenuwen werken, op en buiten de piste. Bij het tandemrijden kwam het daarentegen meestal neer op een lange spurt van zo’n zevenhonderd meter, waarbij in de regel de sterkste, en niet de leepste, won. Want eens een tandem op volle snelheid is geraakt – we spreken over snelheden van boven de zeventig kilometer per uur – is het niet vanzelfsprekend nog een groot verschil te maken. Vooral een gat dichtrijden was lastig. En dan moest je ook nog eens voorbij de tegenstanders. Ook niet evident. Want een tandem is nu eenmaal langer dan een gewone fiets.”

Een gouden duo

Het koppel Van Lancker-Goens bleek een gouden duo. Maar dat ze zich meteen met de wereldtop zouden meten, was toch buiten alle verwachting. Goens was net twintig geworden, Van Lancker was nog geen 22, toen ze in Mexico met brons werden omhangen. Ze waren rasechte liefhebbers nog, die het hadden moeten opnemen tegen de staatsamateurs uit het Oostblok (Otto en Geschke uit de DDR, dat voor het eerst als afzonderlijk land uitkwam op de Spelen), tegen de door de wol geverfde Italianen met hun beruchte sprintersschool (Borghetti, Gorini), en vooral tegen het indrukwekkende Franse duo Trentin-Morelon, monumenten van de spurt. Daniël Morelon: zeven keer individueel wereldkampioen snelheid! Pierre Trentin: onklopbaar op de kilometer. En ook fake-amateurs.

“Op die pre-olympische spelen in Mexico in 1967 hadden we dus Morelon en Trentin netjes afgedroogd”, zegt Goens. “Goud voorwaar. Wat ons meteen een ticket voor de echte Spelen opleverde. Waar we met ingehouden verwachtingen naar toe trokken. Want van begeleiding was nauwelijks sprake. We kregen een mecanicien mee, Marcel Ryckaert. En dat was het dan. Gelukkig was Marcel, ooit een uitstekend profwielrenner geweest, een klasbak, zowel op technisch als menselijk vlak. Hij werd later niet voor niets de uitverkoren mecanicien van Eddy Merckx. ”

Mexico '68

“Het waren de Spelen waar ook Roger De Vlaeminck en Jempi Monseré aan deelnamen”, zegt Van Lancker. “Ik geloof dat Monseré in de wegrit zesde werd. Maar wat ik me zeker nog herinner is dat de huisvesting in Mexico abominabel was. Waar we er in 1967 nog in een deftig hotel hadden gelogeerd, werden we nu ondergebracht in een slaapzaal waar tien, twaalf atleten waren ondergebracht. Het was een voortdurend komen en gaan van sporters en begeleiders, van vijf uur ’s morgens tot ’s avonds laat. Je deed er geen oog dicht. In de badkamer een druppelkraantje, een douche die niet werkte. De openingsceremonie woonden we niet bij, omdat we de dag erop onze eerste reeksen moesten rijden, tegen de Verenigde Staten. Die waren geen partij voor ons.”

“In de kwartfinale troffen we Otto en Geschke”, zegt Goens. “Geen makkie. Er was een belle nodig. Maar we haalden onze slag thuis. Wat ons in de halve finale bracht. Tegen Morelon en Trentin! Waar deze keer geen kruid tegen gewassen was. Ze werden overigens olympisch kampioen, door in de finale Leijn Loevesijn en Jan Jansen te verslaan. Jansen, niet te verwarren met Jan Janssen, de wegrenner die een paar maanden voordien onze Herman Vanspringel de Tour had afgepakt. In de kleine finale maakten we komaf met Gorini en Borghetti.”

Na hun olympische prestatie was het tweetal geen ontspanning gegund. “We konden nog wel enkele competities bijwonen”, zegt Goens. “Maar voor de slotceremonie moesten we passen. Want een paar dagen voordien reisden we af richting Montevideo, waar de wereldkampioenschappen op de piste werden georganiseerd. Wat een timing!”

“De erkenning voor onze bronzen medaille door de Belgische sportbonzen was toen al meteen duidelijk”, zegt Van Lancker, nog steeds met enige trilling in de stem. “Die was haast onbestaande. Ik herinner me een proficiat van een of andere BOIC-official. En dat was het. O ja, de Belgische bondsmensen hebben het in Mexico ten zeerste naar hun zin gehad. Maar toen we vertrokken uit Mexico richting Uruguay werd ons door de wielerbond gevraagd onze extra bagage – we hadden voor het thuisfront toch enkele souvenirs gekocht – zelf te betalen! De terugkeer later vanuit Montevideo naar België had de bond voor de goedkoop gereserveerd via Mexico. We zijn bijna drie dagen onderweg geweest.”

“In Montevideo werden we aan ons lot overgelaten”, zegt Goens. “Gelukkig was er ook weer Marcel Rijckaert. In de finale van het tandemnummer namen we het op tegen Turini en Gorini, die ons doodleuk in de kant reden. Ze hadden honderd keer gediskwalificeerd moeten worden. Maar er was niemand om ons bij onze klacht te steunen bij de wedstrijdjury. Dus werd het slechts zilver.”

“Het was een troost dat ik in de individuele snelheid Turini klopte in de strijd voor het brons”, zegt Van Lancker.

Een profcontract lonkt

Na hun terugkeer naar België werden zowel Goens als Van Lancker meteen prof. Een verhaal waar ze niet zonder bitterheid op terugkijken.

“Mij was bij Goldor voor 1969 een contract van 6.000 fr. per maand (ongeveer 150 euro) beloofd”, zegt Goens. “Ik reed die winter enkele zesdaagsen, onder meer in Antwerpen. Daar werd me verteld dat de deal niet doorging. Ik zou enkel wat materiaal krijgen, geen loon. Het was mijn zoveelste negatieve ervaring met de geplogenheden in de wielerwereld, die toen bulkte van de onbetrouwbare sujetten en malafide profiteurs. Ik had daar zo’n dégout van gekregen dat ik er meteen een punt achter zette. Ik wilde niet onbetaald gaan koersen terwijl mijn vrouw voor de inkomsten moest zorgen. Ik kreeg een betrekking bij de politie van Brussel, waar ik de daaropvolgende 37 jaar, tot aan mijn pensioen, ben blijven werken. Nog altijd heb ik er spijt van dat ik niet heb doorgezet. Wellicht ben ik te vroeg naar de profs overgestapt, onder invloed van die manager die me later in de zak heeft gezet. Ik was beter amateur gebleven tot de Spelen van 1972 in München, waar overigens de laatste keer het tandemnummer op het programma stond. Ik volg de wielersport nog op televisie. Maar ik ga niet naar wedstrijden kijken. Dan zouden de herinneringen boven komen, dat zou te veel pijn doen.’

Ook Robert Van Lancker werd het slachtoffer van de semimaffiose praktijken die toen in de wielersport legio waren. “Ach, het was de tijd dat je alles zelf moest beredderen als coureur”, zegt hij. “Als je iet of wat goedgelovig was, was je voor gladde managers en sponsors een vogel voor de kat. Contractbreuken waren schering en inslag. De klap op de vuurpijl kwam van Rokado dat me na mijn wereldtitel in 1973 om onduidelijke redenen de zak gaf. Ik schakelde de bond in, maar die gaf geen kik. Ik werd nog twee keer nationaal spurtkampioen, de laatste keer in 1976 bij Gero-Eurosol waar ook Erik De Vlaeminck voor reed en Rik Van Looy ploegleider was. Maar in september van dat jaar zette ik er een punt achter. Ik ging werken in een bandencentrale, later als mecanicien bij Alfa Romeo België en tenslotte als sportterreinverantwoordelijke van de gemeente Molenbeek, waar ik nog steeds woon.”

B1023305
Ach, we hebben er weinig geld aan overgehouden, maar de tandem heeft ons voor eeuwig tot vrienden gemaakt. Een ding is zeker: ook in de hemel zullen we een tandem blijven vormen.
Daniël Goens

Veel financieel gewin hebben Goens en Van Lancker dus niet overgehouden aan hun olympisch metaal. “En weinig appreciatie”, zegt Van Lancker met donkere stem. “Eind juli 2012 werd door het Belgisch Olympisch Comité een fietstocht van Brussel naar Londen georganiseerd, aangevoerd door Eddy Merckx. Wij waren er ook bij, werden in het Belgium House in Londen ontvangen door prins Filip en prinses Mathilde. Niemand keek naar ons om. Bij de ontvangst ’s avonds in een gerenommeerd restaurant was er geen plaats voor ons, moest een tafeltje worden bijgeschoven. Ook de dag nadien liepen we totaal verloren, zijn we tenslotte een zak friet gaan eten. Het BOIC heeft ooit een tentoonstelling georganiseerd rond de Belgische olympische prestaties, waarvoor ik enkele trofeeën en medailles ter beschikking stelde. Maar ik moest wel betalen om binnen te mogen. Om mijn eigen spullen te gaan bekijken…”

“Ach, we hebben er weinig geld aan overgehouden”, zegt Goens. “Maar de tandem heeft ons voor eeuwig tot vrienden gemaakt. We hebben nooit woorden gehad met elkaar, altijd het volste vertrouwen in elkaar gehad. En we spreken en zien elkaar nog geregeld. Dat laatste iets minder, wegens corona. Maar een ding is zeker: ook in de hemel zullen we een tandem blijven vormen.”

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

Koers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.