Ronde van Frankrijk
longread
retro

Emile Brichard. De laatste der (Tour)veteranen

14min leestijd   door Patrick Cornillie op 28 juni 2021
Koersen, het is strijden, doorbijten, overleven. Coureurs, het zijn de enige wezens die in staat zijn zeven keer te sterven en toch nog door te gaan. Hoeft het te verbazen dat de laatste Belgische veteraan uit de Eerste Wereldoorlog een coureur was? Geen kampioen. Maar toch, een coureur.

Emile Brichard, de naam zegt de wielerliefhebber waarschijnlijk niets. Geen schande. De man – geboren op 20 december 1899 in Arsimont vlakbij Sambreville – heeft een relatief anoniem bestaan achter de rug, zeker als renner want hij heeft niet één zege op zijn palmares. De Waal zou ook in alle anonimiteit zijn gestorven, ware het niet dat de ex-coureur in de zomer van 2004 in ons land ‘plots’ de laatste nog in leven zijnde oud-strijder van ’14-’18 bleek te zijn. Kort daarna komt vanuit de Verenigde Staten weliswaar het bericht overwaaien dat ook de vier maanden oudere Cyrillus-Camillus Barbary nog in leven is, een man die in het najaar van 1918 met het Tweede Linieregiment twee maanden mee aan het front had gevochten en in 1923 vanuit het West-Vlaamse Klerken naar Detroit was geëmigreerd. Hoe dan ook, in België zèlf is Brichard dus de laatste.

De Laatste

‘Laatste’, het is een woord dat wielrenners niet graag horen, dat haaks staat op competitiesport en alle ambitie die daarbij hoort, maar in het geval van Brichard in zijn honderd en vierde levensjaar alsnog een positieve invulling krijgt. ‘Laatste’, als rariteit, als één van de weinige getuigen van een andere epoque. In datzelfde 2004 pluizen wielerstatistici uit dat hij trouwens niet alleen de laatst overgebleven Belgische veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, maar tegelijk ook de oudste nog levende Tourdeelnemer moet zijn. En zeggen dat uitgerekend in die periode, van 3 tot 6 juli 2004, Le Grand Départ van de Ronde van Frankrijk plaats vindt in Wallonië. “La moindre des choses serait, alors que le Tour passe à 5 km de chez lui, qu’Emile Brichard soit une fois encore honoré,” vindt Guy Crasset, adjunct-hoofdredacteur van Coups de Pédales. Helaas, Tourbaas Jean-Marie Leblanc geraakt in die dagen niet tot bij de 104-jarige.

Emile Brichard dus. De berichten over de laatste oorlogsveteraan moeten mij destijds zijn ontgaan, want de naam ontdek ik pas in 2013. Op 11 november, om precies te zijn. Het is zo’n dag waarop je wordt verondersteld een poppie op de kraag te spelden, langs de vele soldatenkerkhoven in de Westhoek te kuieren, de Last Post bij te wonen onder de Menenpoort in Ieper. Zelf hou ik het bij enkele uren lezen in een pas verschenen boek van dorpsgenoot Benedict Wydooghe: De sluiswachter van de IJzer. Daarin gaat het over Hendrik Geeraert, die op 29 oktober 1914 de legeroversten overtuigde de grote overlaat van de Noordvaart in de Ganzepoot in Nieuwpoort te openen, zodat landinwaarts de hele IJzervlakte onder water liep en de Duitse opmars werd gestopt. Het boek is opgevat als een soort speurtocht, want de laatste getuigen van die onderwaterzetting zijn al een hele tijd verdwenen en “…de kinderen van vandaag zullen nooit meer spreken met mensen die ’14-’18 hebben meegemaakt”. “De oudste Belgische veteraan van WOI is immers in 2004 overleden,” schrijft Wydooghe. En dat is volgens de auteur een coureur. Emile Brichard!

Alle dagen lijken ruimen

Ontdekkingen. Je doet ze per definitie op momenten of plaatsen waar je ze niet verwacht.

Niet dat ik twijfel aan de deskundigheid van de auteur, overigens docent geschiedenis aan de Vives-hogeschool, maar toch ga ik meteen op zoek of dat wel klopt, van die coureur. Het intrigerende verhaal van Wydooghes zoektocht naar Geeraert moet even wijken voor mijn queeste naar Brichard. Want de naam zegt mij werkelijk niets. In lijstjes van alle Belgische beroepsrenners ooit loop ik langs Jozef Bril, Leon Briscot, Henri Brison en Marc Brock – al even nobele onbekenden – maar geen Brichard. Googelen dan maar, en vaststellen dat lijstjes nooit volledig zijn. Jawel, er is wel degelijk een coureur geweest die Emile Brichard heette, hij startte in 1926 zelfs in de Ronde van Frankrijk. Een ontdekking dus, want langs de wondere wegen van het wereldwijde web kom ik toch wel een en ander te weten over die laatste veteraan. Dat hij in zijn eerste levensjaar al met zijn ouders, broers en zussen van Arsimont verhuist naar Ham-sur-Sambre, vandaag een deelgemeente van Jemeppe-sur-Sambre. Dat de Brichards bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ongetwijfeld over de gruweldaden van de Duitsers horen in het nabijgelegen Tamines, waar op 21 en 22 augustus 1914 zowat alle huizen worden vernield en 384 onschuldige burgers vermoord. Dat het gezin, zoals zovele, daar aan de meanders van de Samber, halsoverkop op de vlucht slaat. Eerst naar Eeklo, waar nonnen hen over de grens smokkelen, vervolgens vanuit Zeeland met de boot naar Wolverhampton.

We verdienden 25 centiemen per dag, deelden met vier soldaten dagelijks één brood, lepelden iets waterachtigs dat soep moest voorstellen en sliepen op stro.
Emile Brichard

Emile Brichard moet in Engeland meteen aan de slag in de oorlogsindustrie, in een fabriek waar ze soldatenlaarzen vervaardigen. Hij is niet eens zestien jaar, maar wordt door het Belgische leger toch al terug naar het vasteland geroepen. Eerst om in Lens in een munitiefabriek te werken. Daarna, in juli 1915, wordt hij ingelijfd in het 4de Corps Médical. Zijn opdracht is even eenvoudig als gevaarlijk: als brancardier gewonde soldaten ophalen aan het IJzerfront. Tijdens de laatste maanden van de oorlog belandt Brichard in l’Océan, het hospitaal van het Rode Kruis in De Panne. Daar ontmoet hij koningin Elisabeth. Dat ‘verpleger’ Brichard niet eens een diploma heeft, maakt niet veel uit, “…want het was er alle dagen lijken ruimen, er kwam daar zelden een soldaat levend weer buiten,” zal hij later in een interview vertellen. Zonder ooit letterlijk te strijden, ziet hij waarschijnlijk méér van de oorlogsverschrikkingen dan om het even welke gewapende soldaat ook. “Alle huizen in de buurt waren platgegooid, het hospitaal was een verzameling tenten. Modder, overal. We verdienden 25 centiemen per dag, deelden met vier soldaten dagelijks één brood, lepelden iets waterachtigs dat soep moest voorstellen en sliepen op stro. C'était malheureux!

De hel was het, die zes of zeven maanden. En weet je, met het ouder worden zie je die beelden allemaal terugkomen.” Als op 11 november 1918 een eind komt aan alle ellende, is de kous voor de Waal echter nog niet af. Zijn militaire dienstplicht loopt nog maanden door, in het intussen ‘bezette’ Duitsland bovendien – pas het daaropvolgende jaar kan en mag hij met onbepaald verlof.

Mijnwerker-coureur

Het wereldwijde web kan de weg wijzen, maar om je echt in het wiel van Brichard te nestelen ben je uiteraard beter af bij wielerarchivarissen, kranten, gespecialiseerde magazines. Die bevestigen dat de wielercarrière van de Waal aanvangt eind 1919. Of dat hij in alle geval in die periode toch de fiets ontdekt. Want op zijn twintigste wil en moet hij in de eerste plaats de kost gaan verdienen. Over de manier waarop hoeven de mannen in zijn geboortestreek – of toch zij die min of meer ongeschonden uit de oorlog komen – niet lang te tobben. In de steenkoolmijnen smeken ze om manschappen. Emile Brichard zal tien jaar lang onder de grond werken. Tijdens de zomer gaat hij ook aan de slag in een steenbakkerij in Frankrijk. Ook daar kunnen ze, voor de wederopbouw van de verwoeste steden en dorpen, alle hulp gebruiken.

Het is duidelijk, Emile Brichard heeft poten aan zijn lijf. Alsof zijn jobs als mijnwerker en steenbakker nog niet zwaar genoeg zijn, gaat hij zich tussendoor ook nog eens afbeulen met de benen. Wat begint als een beetje ontspanning wordt al vlug inspanning. Met koersen valt namelijk een extra cent te verdienen – in enkele uren vaak méér dan een hele dag in de mijn. Winnen doet hij niet één keer, hij prijst zich gelukkig als hij na een tijdje mannen als Mottiat, Lambot, Tiberghien, Scieur, de broers Fernand en Félix Sellier, Hector en Louis Heusghem gewoon al kan volgen. Weliswaar gebeurt dat enkel in de regionale wedstrijden, want als renner reikt zijn actieradius niet verder dan de provincies Namen en Henegouwen. Tot zijn streekgenoot, de half jaar jongere Adelin Benoît hem in 1926 aanprijst bij de ploeg Alcyon. “Zo’n contract stelde niet veel voor. Geld kreeg je niet. Wel een fiets en wat kleding. Maar Benoît, die in de Ronde van Frankrijk van 1925 een etappe had gewonnen en vijf dagen in het geel reed, vond dat hij mij als persoonlijke helper best wel goed zou kunnen gebruiken.”

Benoît, die in de Ronde van Frankrijk van 1925 een etappe had gewonnen en vijf dagen in het geel reed, vond dat hij mij als persoonlijke helper best wel goed zou kunnen gebruiken.
Emile Brichard

Als Benoît zijn bazen het daaropvolgende seizoen pleziert met een zege in Bordeaux-Parijs, krijgt hij het van Alcyon gedaan dat hij die knecht mee naar de Tour mag nemen. Emile Brichard, een gelegenheidsfietser recht uit de mijn, het kolenstof nog in de longen. Die kleine coureur zal dus starten in de grote Tour, in 1926 nota bene 5.745 kilometer lang, verdeeld over 17 etappes, de langste ooit uit de geschiedenis. Samen met Adelin Benoît en Félix Sellier reist Brichard naar het hoofdkantoor van L’Auto in Parijs. Daar drukt hij de hand van Tourbaas Henri Desgrange, om vervolgens naar de Champs Élysées te trekken, voor een parade en de presentatie van de renners. Tot zijn grote verbazing stelt hij vast dat Alcyon-Dunlop start met het zestal Nicolas Frantz, Bartolomeo Aimo, Jan Debusschère, Félix Sellier, Adelin Benoît en Raymond Englebert. Voor Brichard is geen plaats voorzien – blijkbaar heeft Benoît bij zijn Franse bazen dan toch niet zoveel invloed als hij liet uitschijnen.

Er zit voor Emile Brichard niets anders op dan deel te nemen als toerist-routier of isolé. Zodoende behoort hij tot de groep van renners die tijdens de wedstrijd van niemand hulp mag aannemen en, in tegenstelling tot de goed gesoigneerde teamrenners, telkens ook zelf bevoorrading en overnachting moet zoeken. Er zijn in deze twintigste editie van de Tour liefst 82 van die isolés, voor wie trouwens ook een apart klassement wordt opgemaakt. Het gaat voornamelijk om Fransen en Italianen, al staat er met Henri Beirnaert toch een tweede Belg en met Kisso Kawamuro zelfs een Japanner aan de start!

363 km Tour

Dezelfde dag nog stappen alle 126 deelnemers op de trein naar Évian-les-Bains. Voor het eerst sinds het ontstaan vertrekt de Tour immers niet vanuit Parijs. De eerste rit gaat vanuit het kuuroord naar Mulhouse, over 373 kilometer. Emile Brichard, met het rugnummer 143, heeft nog nooit in één keer zo’n afstand afgelegd. En vooral: hij heeft nooit eerder in de bergen gefietst, laat staan gekoerst. Het is tropisch warm, die 20 juni van 1926, en de eerste hindernis die ze in de Jura onder de wielen krijgen is de Col de la Faucille, 14 km klimmen tot op een hoogte van 1.323 m. “Het wegdek was verschrikkelijk. Er waren stenen, zo groot als meloenen. En kuilen. Diepe kuilen. Je vlamde door het stof, over scherpe kiezels. Ik reed al snel lek. En nog eens. En nog eens. Omdat ik maar twee reservestuks bij had, moest ik mijn tubes naaien met grove draad. Dat kostte veel tijd.”

Op de koop toe ontbindt Ottavio Bottecchia, de winnaar van 1924 en 1925, al vroeg zijn duivels. Voorin wordt bijzonder hard gereden, wat maakt dat Brichard meteen tegen een enorme achterstand opkijkt. Bottecchia bekoopt zijn onbezonnen aanvalsdrift met een enorme inzinking en zal die dag uiteindelijk pas 16de worden, op 36 minuten van de winnaar, zijn ploegmaat bij Automoto-Hutchinson, Jules Buysse. De Oost-Vlaming – jongere broer van Lucien Buysse, die drie weken later de eindwinnaar van deze Tour zal worden – doet over de 373 km 14 uren en 12 minuten. Hij wint met 17 minuten voorsprong op een groepje met Van De Casteele, Parmentier, Debusschère, Cuvelier, Benoît, Casterman, Taillieu, Faure en Van Slembrouck.

Ik nam de trein, kwam aan in Charleroi en liet mij de eerste dagen nergens zien. Opgeven in de Tour, het is een schande voor iedereen.
Emile Brichard

Terwijl Buysse in Mulhouse met de bloemen staat te zwaaien, heeft Brichard nog minstens vijf uren fietsen voor de boeg. Al is ‘fietsen’ veel gezegd. De Waal leed intussen weer enkele keren pech, zijn materiaal is duidelijk niet voorzien op deze veldslag. “Mijn tubes waren gescheurd, ik reed op mijn velgen. Het had geen zin meer.” Op 10 km van de finish stapt hij helemaal ontredderd uit de wedstrijd. Zijn Touravontuur zit er dus al na één dag op. Brichard is niet de enige. Een dozijn andere toeristen-routiers zijn evenzeer op de sukkel en zullen opgeven, onder hen ook Beirnaert en Kawamuro.

Emile Brichard moet te voet naar Mulhouse. Hij durft eigenlijk niet naar huis en is meteen ook zijn aspiraties als coureur kwijt. “Ik hoopte minstens enkele etappes uit te rijden, toch minstens die in het noorden van Frankrijk. Ik nam de trein, kwam aan in Charleroi en liet mij de eerste dagen nergens zien. Opgeven in de Tour, het is een schande voor iedereen. Aan mijn Tourescapades heb ik trouwens nooit veel ruchtbaarheid willen geven. Lange tijd heb ik ze zelfs verzwegen, omdat ik me schaamde. Ik heb ook nooit meer deelgenomen aan een andere grote wedstrijd, zelfs niet aan de Ronde van België.”

Spreekt voor zich dat ze bij Alcyon niet echt onder de indruk zijn van de Tour-‘prestaties’ van Brichard. In 1927 krijgt hij geen nieuw profcontract meer. Het blijft voor Brichard bij één kortstondig optreden in de Tour. Als individueel renner rijdt hij nog enkele jaren in eigen streek, in kermiskoersen en op de piste, terwijl hij tegelijkertijd ook weer naar de mijn trekt. Drie jaar later zet Brichard zijn fiets definitief aan de kant, gooit ook zijn mijnlamp en pikhouweel weg en begint een likeur- en wijnhandel in Châtelineau.

Moment de gloire

Emile Brichard leeft gezond – “Nooit dronk ik van mijn eigen brouwsels. Ik proefde wel, maar spuugde het daarna uit.” – overleeft drie vrouwen en ook zijn twee zonen. De laatste dertig jaar van zijn leven woont hij in Villers-Poterie, een deelgemeente van Gerpinnes. Tot zijn 96ste rijdt hij met de auto, maar dan krijgt hij geen verzekering meer. Geen mens herinnert de gepensioneerde likeurstoker nog als coureur en zelf heeft hij niks meer van archief. Het gevolg van een echtscheiding. Zijn eerste vrouw nam niet alleen de hele inboedel mee, maar ook al zijn medailles en foto’s van de Eerste Wereldoorlog en van zijn tijd als coureur.

Brichard verdwijnt in de anonimiteit, brengt op hoge leeftijd zijn dagen door in het gezelschap van zijn kat Poupousse. Dat zijn naam uiteindelijk toch in de kranten verschijnt en vandaag zelfs op Wikipedia staat, heeft dus te maken met zijn hoge leeftijd en het feit dat hij de laatste oud-strijder wordt. In 2004 beleeft hij alsnog zijn moment de gloire. De Tour is in Wallonië, de 23-jarige Fabian Cancellara wint in Luik de proloog, de daaropvolgende dag is Jaan Kirsipuu de snelste in Charleroi. Dat daar, in de buurt, de oudste nog in leven zijnde Tourdeelnemer woont, is enkele journalisten niet ontgaan.

Op 5 juli zakt zelfs Jean Nelissen van de Nederlandse tv-zender NOS af naar het nietige Villers-Poterie. Een bescheiden tv-portret van Brichard, méér als curiosum dan als wielerheld. Brichard ziet er best nog kranig uit, maar amper drie dagen na de reportage zal hij toch zijn laatste adem uitblazen. Het lijkt wel alsof hij erop gewacht heeft, op Nelissen, de kranten, de Tour. Renners weten hun momenten uit te kiezen, zelfs tot in dood.

Emile Brichard

Emile Brichard (Arsimont, 20 december 1899 – Gerpinnes, 8 juli 2004) was een Belgisch wielrenner. Brichard reed mee in de Ronde van Frankrijk van 1926. Hij was tevens de voorlaatste Belgische veteraan uit de Eerste Wereldoorlog.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

Koers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.