retro

Fietsen Hallaert. Leven en werk van twee generaties West-Vlaamse velomakers

8min leestijd   door Dries De Zaeytijd op 29 augustus 2022
Het fietsambacht is hot. Termen als ‘craftmanship’ en handmade’ zijn in. Met dit vakmanschap knoopt een segment van de Belgische fietsfabrikanten aan met een traditie van weleer. Tot een eind in de jaren zestig waren lokale fietsproducenten immers een wijdverspreid fenomeen. Maurice en zijn zoon Marcel Hallaert behoorden tot die categorie en werden een begrip in de regio Kortrijk. Het relaas van Fietsen Hallaert, een fietsenzaak die 75 jaar overeind blijft.

Het verhaal van Fietsen Hallaert start in 1924. Grondlegger Maurice Hallaert (°1906) werkt tot dan in de Noord-Franse weverijen, maar stelt gaandeweg vast dat met de invoer van Franse fietsonderdelen ─ Frankrijk is naast Engeland op dat moment hét fietsland ─ veel meer geld te verdienen valt. In België zijn op dat moment nog maar relatief weinig fabrikanten van fietsen en fietsonderdelen actief, maar is de fiets wel aan een stevige opmars bezig. “Mijn vader zag dat gebeuren en begon daarom een eigen fietsenzaak”, vertelt zoon Marcel (°1938).

Maurice Hallaert begint vanuit zijn woonst in Gullegem een fietsenhandel. Aan de deurlijst verschijnt met het vijfletter woord ‘Velos’ een bescheiden opschrift. Maurice leert zichzelf de kneepjes van het vak en geeft al snel blijk van ondernemingszin. Hij laat klanten niet alleen aan huis komen, maar zoekt ze ook actief op. Met een triporteur (bakfiets) vol vanuit Frankrijk ingevoerde fietsonderdelen trekt hij naar markten in het omliggende. Eerst naar Kortrijk, later op een gemotoriseerde triporteur ook naar Harelbeke en Roeselare. Omdat de klandizie voornamelijk in het Kortrijkse te vinden is, verhuist Maurice met zijn gezin in 1939 naar Heule, dicht bij de Menenpoort en op wandelafstand van Kortrijk-centrum. De zaak in Gullegem wordt verdergezet door broer André.

In huis gemaakte zadels

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog valt de bloeiende fietshandel van Maurice Hallaert zo goed als stil. Als oudste uit een gezin van zes is Maurice vrijgesteld van militaire dienst. Aan de verplichte tewerkstelling door de Duitse bezetter ontsnapt hij maar ternauwernood. “Ik weet nog heel goed dat de Duitsers op onze poorten bonkten en binnen kwamen, om hem te zoeken. Maar hij kon telkens ontsnappen of zich ergens verbergen”, getuigt Marcel.

Half ondergedoken blijft Maurice toch aan de slag. Doordat rubber door de vele opeisingen schaars is geworden, rijden veel fietsers op hun velg of monteren ze een dik touw rond het metalen wiel. Als alternatief verkoopt Hallaert gevulkaniseerde banden, waarbij een beperkte hoeveelheid rubber en textiel door middel van een chemische oplossing én onder elektrische stroom worden omgezet in een soepele materie. Marcel: “Het waren enkel mensen met veel geld die zich zo’n band konden veroorloven. Zo zorgde mijn vader ook tijdens de oorlog voor de nodige inkomsten.”

Zadels maken vergde veel fysieke kracht en dat vond ik als jonge gast niet altijd even leuk.
Marcel Hallaert

In 1946 lanceert Maurice Hallaert een eigen merk van fietszadels. De productie gebeurt in eigen huis. “Ik kan je het verzekeren, dat was een zware klus. Zadels maken vergde veel fysieke kracht en dat vond ik als jonge gast niet altijd even leuk”, lacht Marcel, “maar mijn vader slaagde er toch maar weer in om zichzelf iets aan te leren en het ook weeral goed te doen.” Maurice houdt de marktbezoeken in die jaren voor bekeken en verkoopt naast fietsonderdelen en fietsen nu ook zelfgemaakte zadels. “Op die manier probeerde hij de concurrentie voor te blijven. Want concurrentie was er toen, in tegenstelling tot twintig jaar eerder, wel degelijk.”

Als zoon Marcel in 1952 volwaardig mee in de zaak stapt zijn er in Heule alleen al twaalf fietsenmakers terwijl Kortrijk meer dan dertig fietsenzaken telt. Maar dan gaat het snel bergaf. Marcel: “Door de opkomst van de brommer en later ook de auto in de jaren vijftig, smolt het aantal fietsenmakers als sneeuw voor de zon. Wij verkochten wel veel, maar maakten weinig winst op die verkoop. Ook voor ons was dat een mindere periode.” In die periode zijn vrouwen evengoed fervente gebruikers van de fiets: “De vrouwen moesten nu eenmaal de boodschappen toen. Een aangezien er nog maar weinig vrouwen met de auto reden, waren ook zij aangewezen op de fiets.”

In huis gemaakte fietsen

Dankzij de stielkennis van vader Maurice leert zoon Marcel gaandeweg het vak. Hij legt zich in eerste instantie toe op het spuiten van aangekochte fietskaders. Van het voor de Tweede Wereldoorlog overheersende zwart als kaderkleur wordt – opvallend genoeg dankzij die oorlog – na ’45 stilaan afstand genomen. “Tijdens de oorlog was er vanalles tekort, ook van zwarte verf. Daarom moesten de mensen wel creatief worden. Om hun fiets toch wat kleur te geven, werd er dan bijvoorbeeld met restjes verf wat kleur op het frame geschilderd”, getuigt Marcel.

In 1958 nemen vader en zoon Hallaert de machines en inboedel van het stopgezette Kortrijkse fietsmerk Vici – eigendom van de broers Delebeque ─ over en beginnen met de fabricatie van kaders: “Voordien verkochten we ook al fietsen met een kopplaatje van ‘Hallaert’ op, maar die fietsen waren niet volledig in eigen huis gemaakt. Voortaan was dat wel zo want naast de zadels werden ook de wielen in huis gemaakt. Iets wat mijn vader graag deed. Gelukkig maar, want ik had er een hekel aan. En zo vulden we mekaar heel goed aan”, lacht Marcel.

Ook deze koerswijziging slaat aan, ondanks de steeds voortschrijdende opkomst van auto en moto. “Gouden tijden waren het nog steeds niet maar we verdienden ons brood. Ook al omdat we niet op een uur meer of minder keken en we alles in eigen huis konden maken. Onze klanten waren toen mensen die nog iets over hadden voor de fiets. Veel andere mensen wilden geen geld meer besteden aan hun stalen ros. Brommers heb ik nooit willen verkopen, ik bleef liever bij de fiets”, vertelt Marcel.

Noodzakelijke, niet in eigen huis geproduceerde fietsonderdelen worden aangekocht bij producenten in het omliggende. Titan (Tielt) en Tiptop (Deinze) groeien uit tot vaste leveranciers van sturen, pedalen zijn afkomstig van de firma Van Besien uit Roeselare, gardeboes en bagagedragers komen uit Heule (Depoortere), fietslinten uit Oostrozebeke (Van Outryve) terwijl fietslichten dan weer voornamelijk uit Duitsland worden ingevoerd. Aan het in huis vervaardigen van fietskaders en zadels komt in 1969 een abrupt einde als vader Maurice plotseling komt te overlijden. Niet alleen op persoonlijk maar ook op zakelijk vlak betekent dit een harde klap voor Marcel. Omdat de fabricage van fietskaders en -zadels te veel tijd vergt en te intensief is voor één man alleen, zet hij de productie van Selles Vitex en Hallaert-fietsen noodgedwongen stop. Voortaan worden enkel nog fietsen van andere merken aangekocht, om deze dan te koop aan te bieden in de winkel.

Amerikaanse import

Vanaf de jaren zeventig komen klanten niet langer alleen nog maar uit Kortrijk, maar ook uit omliggende gemeentes als Lendelede en Bissegem. Fietsen van alle merken – ook buitenlandse – en in alle formaten gaat vlot over de drempel. En dat brengt een aantal leuke bijkomstigheden met zich mee. “Wie per jaar meer dan 50 fietsen van het Engelse topmerk Raleigh kon verkopen, mocht mee op bedrijfsbezoek naar Nottingham. Daar werkten tot 8.000 mensen en kon je al een robot aan het werk zien. Ik ben daar twee keer geweest. Allemaal op kosten van Raleigh”, vertelt Marcel. Omdat de Gazelle-koersfietsen goed verkopen – wielertoerisme wordt dan stilaan populair – mag hij ook in Nederland op bedrijfsbezoek. Het is vooral dankzij de verkoop van koersfietsen dat de zaken stilaan echt goed gaan. Als wielertoeristenclubs komen aankloppen met de vraag tot sponsering, vertrekken ze zelden met lege handen. “Maar het is niet dat je daar veel profijt uithaalt”, zegt Marcel. “Ik heb ook een aantal wielrenners gesponsord. Luc Leman en later Laurens Beauprez waren de meest bekende. Ik had echter te veel werk en voor renners moest je soms op de meest onverwachte momenten iets in orde brengen.”

Naast de opkomst van het wielertoerisme, zorgt ook de BMX (Bicycle Motorcross, waarbij de X staat voor ‘cross’) op zijn beurt in de jaren tachtig voor stijgende verkoopcijfers. Het uit Amerika overgewaaide fenomeen wordt snel populair bij de jonge generatie: “Kinderen en jonge gasten kwamen hier een BMX kopen of wilden een BMX-stuur op hun gewone fiets. In tegenstelling tot een BMX vond ik dat er geen ‘loop’ in een mountainbike zat, nog zo’n rage die uit Amerika kwam overgewaaid”, vertelt Marcel. “Ik vond die mountainbikes lomp en wilde ze eerst niet verkopen in mijn winkel omdat ik vond dat dit geen goeie fietsen waren, maar ik heb het dan toch maar gedaan omdat er zo veel vraag naar was.”

In de jaren negentig bouwt Marcel de verkoop van koersfietsen en mountainbikes terug af. “Ik had echt veel werk. Op een gegeven moment moet je dan beslissen om een kleine zaak te blijven of om verder te groeien. Ik koos voor het eerste en wilde me verder concentreren op fietsen voor dagelijks gebruik.” In het voorjaar van 1999 beslist Marcel om te stoppen met de fietsenhandel en laat hij de zaak over, waarmee een einde komt aan een traditie van 75 jaar. Tevreden over zijn loopbaan is hij vandaag nog steeds: “Ik deed mijn job heel graag. Anders kan je dat ook niet volhouden. Maar moest ik het kunnen herdoen, dan zou ik niet zelf kaders en zadels hebben gemaakt. Veel te veel werk en veel te veel uren voor wat het maar opbrengt. Kopen en verkopen. Als je een goede service kan bieden, is dat het beste.”

Fietsen Hallaert in KOERS

Als Marcel Hallaert zijn fietsenzaak in 1999 overlaat, bestaat KOERS in Roeselare net één jaar. Via dochter Ann, tewerkgesteld bij Stad Roeselare, komen de eerste contacten tussen Marcel en toenmalig conservator Ferdy Callewaert tot stand. In 2002 resulteert dit in een bijzonder fraaie schenking. Op het gelijkvloers wordt in het museum een aantal jaar later een heuse authentieke fietsenwerkplaats ingericht, waarbij het procedé van het kadermaken dankzij de vele materialen van Marcel uitvoerig kan gedemonstreerd worden. Het bijpassende smidsevuur – nodig om de verschillende fietsbuizen tot een kader te kunnen verbinden – is afkomstig van de Roeselaarse fietsenmaker Dirk Decroix. Tot aan de sluiting van het museum eind 2014 is de fietswerkplaats van Marcel publiek toegankelijk. Ook in het vernieuwde museum zal het verhaal van Fietsen Hallaert en het procedé om zadels en fietskaders te maken, de nodige ruimte krijgen.

Dit artikel verscheen eerder in Etappe #06 (2017).

De fiets – bijgenaamd La Petite Reine – mocht in 2017 maar liefs 200 kaarsjes uitblazen. Zonder fiets geen wielersport, zonder Koningin Fiets geen Koning Koers. Daarom stond het zesde nummer van Etappe volledig in het teken van de fiets.

Zin in meer historische wielerverhalen? Haast je naar onze shop!

KOERSshop
serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.