longread
retro

Pleziermakers, patriotten en gezondheidsfreaks. Fietstoerisme in de Belle Epoque

12min leestijd   door Stijn Knuts op 29 augustus 2022
"Talrijk waren de leden die deelnamen, en ik ben blij dat ik kan zeggen dat geen van hen ooit een leukere dag had. Deze uitstap kende heel wat voorvallen. Ik zie nog altijd voor me hoe Stendel helpt om de kruiwagen te duwen met daarin het tonnetje bier dat we leegdronken op de top van de Kattekesberg…” Pret maken, bier drinken bovenop een helling… Wie bovenstaand citaat leest, zou kunnen denken dat het hier om een relaas gaat van een uitstap van hedendaagse fietstoeristen. Nochtans is het vrolijke verslagje heel wat ouder. Het komt namelijk uit het tijdschrift van Anvers-Vélo, een Antwerpse fietsclub uit … 1895.

Fietstoerisme in alle vormen en maten blijft vandaag in populariteit groeien. Ga op een zonnige zondagnamiddag een paar uurtjes op een willekeurig terras zitten, en je ziet de ene na de andere fietstoerist voorbij komen, van gezapige oma’s en opa’s op hun elektrische fietsen tot strak in het pak geklede ‘professionele amateurs’ op hun koersfietsen van duizenden euro’s. Maar zoals het bovenstaand citaat aantoont, was de fiets op het einde van de negentiende eeuw niet minder populair als voertuig voor ontspanning en plezier. Hoe en waarom die negentiende-eeuwse fietstoeristen in het zadel klommen, is stof voor een boeiend – en soms heel herkenbaar – verhaal.

Koningin van de weg

In de laatste tien jaar van de negentiende eeuw breekt de fiets door in heel West-Europa. Het voertuig is op dat moment al geen echte nieuwkomer meer. In 1885 komt er echter een revolutionair nieuw fietsmodel op de markt: de safety bicycle. Zoals zijn naam al aangeeft, is die veiliger dan zijn voorgangers, genre Michaux en hoge bi. Door het gebruik van twee wielen van gelijke grootte zit de berijder dichter bij de grond en heeft hij veel meer evenwicht. Bovendien is dit nieuwe fietstype sneller en wendbaarder. De komst van de kettingaandrijving zorgt ervoor dat trappen niet langer een hels karwei is. De uitvinding van de luchtband in 1888 maakt het plaatje compleet. De ronde luchtkussens vangen meer schokken op en vervangen zo al snel de massief rubberen banden die daarvoor algemeen gebruikt worden.

Rond 1890 ontdekken ook in België steeds meer mensen het nieuwe fietstype, dat in het Frans bijna liefkozend bicyclette heet. In vergelijking met de gigantische hoge bi is het nieuwe model immers maar een ‘fietsje’. Goedkoop is dat fietsje wel nog altijd niet. Vooral in de meer gegoede lagen van de samenleving zijn er daarom veel enthousiastelingen voor het voertuig te vinden. Die deftige burgers en ambitieuze middenklassers, vaak Franstalig en met hun domicilie in steden als Brussel, Leuven of Antwerpen, vormen de voorhoede van een groeiend fietserslegertje. Vooral tieners, twintigers en jonge dertigers laten zich verleiden. De fiets vraagt nu eenmaal om een niveau van fysieke fitheid en vrije tijd dat niet iedereen gegeven is. Bovendien zijn het niet alleen mannen die zich op het nieuwe voertuig storten. Hoewel ze tegenwind krijgen uit conservatieve middens in een periode waarin de bewegingsvrijheid voor vrouwen heel beperkt is, beginnen ook steeds meer vrouwen te fietsen.

Van het stadspark tot de Ardennen

Het jonge fietserswereldje bruist van de energie. Er verschijnen tientallen gespecialiseerde fietstijdschriften. De ene na de andere club wordt opgericht. In 1895 ziet de Touring Club de Belgique het levenslicht, een nationale toeristische organisatie waarvan fietsers de drijvende kracht zijn. Maar vooral: de nieuwe fietsers gaan op uitstap! Veel van hen geraken weliswaar niet verder dan de onmiddellijke omgeving rond hun thuisstad en maken voornamelijk korte, zondagse tripjes in de landelijke gebieden rond de stadskern. In Brussel kent het toeristisch verkeer naar plekken als Meise, Tervuren of het Zoniënwoud bijvoorbeeld een flinke boost. In het Antwerpse is de ‘Dikke Mee’ dan weer een populaire pleisterplaats, een taverne even buiten de stad die voorzien is van een grote tuin. Sommige fietstoeristen zijn zelfs tevreden wanneer ze in hun plaatselijke stadspark een paar rondjes kunnen maken.

Maar voor elke fietstoerist die liever dicht bij huis blijft, zijn er evenveel die het potentieel van hun nieuw stalen ros maximaal willen benutten. Tijdens de zomer of in de paasvakantie trekken ze voor verschillende dagen naar de heuvelachtige Ardennen, of steken ze de grens over naar Nederland, Frankrijk of de Duitse Moezelstreek. Of ze pakken hun bicyclette mee op vakantie naar de kust. Als gegoede stedelingen zijn veel fietsers immers goed vertrouwd met badplaatsen als Blankenberge of Oostende, waar ze ook zonder fiets graag hun zomermaanden doorbrengen. Dat er aan het Noordzeestrand veel fietsers rondrijden, vooral wanneer de zon schijnt, moet dus niet verbazen. Anders dan vroeger blijven ze nu echter niet op het strand of de dijk hangen, maar verkennen ze ook het achterliggende polderlandschap met de fiets.

De negentiende-eeuwse fietser gaat niet alleen vaak op uitstap, maar leest ook graag over de belevenissen en ervaringen van zijn collega’s. In de vakpers van toen verschijnt een eindeloze stroom aan verhalen over kleine en grote uitstappen, routewijzers of tips over kledij, fietsmateriaal en voeding. Reisauteurs zoals de Brusselaar Arthur Cosyn of de nieuwe Touring Club publiceren zelfs hele reeksen toeristische gidsen die zich speciaal op fietsers richten. Ze hebben dan wel geen Strava, maar de fietstoeristen van de Belle Epoque zijn meer dan voldoende geïnformeerd over hoe, waar en hoeveel hun collega’s rijden.

Op avontuur

Uitstapjes aan de kust, op een zonnige dag met de fiets naar een populaire taverne of lezen over de fietstocht van een gelijkgestemde ziel… het klinkt opnieuw heel bekend allemaal. Maar voor de negentiende-eeuwse fietsers is het dat net niet. Fietsen is net iets radicaal nieuws, en velen kunnen hun enthousiasme nauwelijks de baas wanneer ze denken aan de nieuwe mogelijkheden die de bicyclette hen biedt. Fietsen gaat sneller dan wandelen. Meer nog, het zorgt voor een ongekend snelheidsgevoel. Bovendien is de fiets goedkoper en makkelijker te gebruiken dan een paard. Een fiets eet niet, wordt niet moe en kan niets breken. Het stalen ros is ook flexibeler dan de trein, die alleen maar rijdt op bepaalde uren – als hij niet te laat komt, tenminste. Al trappend kan de fietser echter overal komen waar hij wil, wanneer hij dat maar wil. Hij (of zij) is de baas over tijd en ruimte. De fiets is daardoor een echte ‘avonturenmachine’, zoals de Duitse historica Anne-Katrin Ebert het voertuig noemt.

Fietskaart met focus op Leuven
Al trappend kan de fietser overal komen waar hij wil, wanneer hij dat maar wil. Hij (of zij) is de baas over tijd en ruimte. De fiets is daardoor een echte ‘avonturenmachine’.

Voor het toenemend aantal fietsers zorgt dat alles voor een bedwelmende, bijna lyrische ervaring. Fietsen staat gelijk aan “momenten van puur geluk en eenvoudig plezier”, zoals een fietserstijdschrift het verwoordt. En dan gaat het heus niet alleen over de sensaties van het rijden zelf, maar ook over de sociale contacten die de fietstoerist tijdens zijn of haar uitstappen heeft. Veel fietsclubs zijn echte vriendengroepen, die bestaan uit jongemannen van dezelfde leeftijd en dezelfde sociale achtergrond. Dat zorgt voor een ongedwongen sfeer tijdens het rijden. Straffe stoten uithalen, grappige verhalen vertellen en, natuurlijk, uitgebreid eten en drinken zijn tijdens veel uitstappen vaste prik, zoals het citaat aan het begin van dit artikel al aangeeft.

Fietsen is bovendien niet alleen spannend en gezellig, er valt ook heel wat te zien tijdens een uitstap. Het aantal verslagen van uitstappen waarin de auteur voortdurend de lof zingt van het landschap en de historische monumenten die hij langs de weg aantreft, zijn niet te tellen. Met de fiets eropuit trekken staat gelijk aan schoonheid beleven. Of, zoals het Nederlandstalige blad De Wielrijder het in 1893 uitdrukt: “De bekoorlijke landschappen volgen op schilderachtige tafereelen, de heerlijkste hoekjes op eindelooze gezichtseinders.”

Die sterke nadruk op het zien van interessante historische monumenten en pittoreske landschappen is een logisch gevolg van de nieuwe mobiliteit die de fiets met zich meebrengt. Veel mensen hebben nu voor het eerst de mogelijkheid om hun regio of land vrij te verkennen. Natuurschoon of historische overblijfselen die daarvoor onder de radar bleven, liggen nu binnen bereik. De vele toeristische gidsen voor fietsers die in deze periode uitkomen, maken er dan ook een erezaak van om hun lezers attent te maken op alles wat er in een bepaalde streek te zien is.

Gezonde patriotten

Volgens sommige stemmen in de bloeiende fietsersgemeenschap zijn al die landschappen, historische huizen en oude kerken niet gewoon aangenaam om naar te kijken. De ervaring van al dat moois maakt van de gemiddelde fietser zelfs een betere burger. De fietspers is er zeker van: wie vaak op uitstap gaat, gaat nog meer van zijn land houden. Al trappend wordt de fietser een vurige patriot, want hij ontdekt zo immers de geschiedenis en de natuurlijke rijkdom van België, van de platte kuststreek tot de heuvels en bossen van de Ardennen. Vanuit die overtuiging voert de Touring Club zelfs actie tegen het rooien van oude bossen of het verdwijnen van pittoreske dorpsgezichten. Voor haar gaan er daarbij niet alleen mooie uitzichten verloren ten voordele van een nieuwe fabriek of woonwijk, maar wordt er ook een aanslag gepleegd op het patriotisme van de (fietsende) Belg.

Dat fietstochtjes voor meer vaderlandsliefde zouden zorgen, toont hoe het nieuwe voertuig in de ogen van veel pioniers niet alleen ontspanning en plezier brengt. Voor hen is de fiets een revolutionair sociaal project, dat voor een betere en sterkere samenleving zorgt. De Belgische maatschappij is in volle verandering in de late negentiende eeuw. Er komt steeds meer industrie. De steden lijken uit hun voegen te barsten, terwijl het leven er steeds sneller lijkt te gaan. Kritische burgers zien die steden daarom als drukke, ongezonde plaatsen om te wonen en te werken. Wie in de stad leeft, krijgt immers weinig lichaamsbeweging, ziet nauwelijks daglicht en ademt dagelijks de vuile dampen van fabrieken in. Dokters en opiniemakers waarschuwen regelmatig voor de onherroepelijke ‘degeneratie’ van de stadsbewoner, een lichamelijke en mentale burn-out die de hele samenleving in gevaar brengt.

Fietskaart met focus op Leuven
De fietspers is er zeker van: wie vaak op uitstap gaat, gaat nog meer van zijn land houden. Al trappend wordt de fietser een vurige patriot, want hij ontdekt zo immers de geschiedenis en de natuurlijke rijkdom van België.

Gelukkig is er de fiets, zo beweren zijn voorstanders. Diezelfde burgerlijke stadsbewoners die zoveel risico lopen door hun ongezonde leven in de stad, hebben nu immers het tegengif bij de hand. Met de fiets is die stadsbewoner immers razendsnel op het platteland, waar hij zuivere lucht kan inademen, van rust en stilte kan genieten en tegelijk wat lichaamsbeweging opdoet. Wie regelmatig met de fiets op uitstap gaat, wordt immuun voor het spook van de degeneratie. Zo wordt een onder Brusselse fietsers populaire fietstocht langs landelijke gemeenten als Meise en Grimbergen in de pers verkocht als een uitstap die erg efficiënt is “om te vechten tegen het verlies van fysieke en intellectuele krachten door het enerverende leven in de stad.”

Natuurlijk zijn niet alle fietsers even vatbaar voor dat gezondheidsgospel. Wie enkel en alleen naar zijn favoriete taverne op het platteland fietst, krijgt vaak evenveel geestrijke dranken als frisse lucht binnen! Maar voor veel tijdgenoten is fietstoerisme dus niet vrijblijvend. Het is leuk en avontuurlijk, maar dient ook een sociaal doel. Fietsersorganisaties en gespecialiseerde tijdschriften geven daarom voortdurend tips om op een ‘verantwoorde’ manier van een fietstocht te genieten. Overdreven snel rijden wordt bijvoorbeeld afgekeurd: een fietstoerist is geen wielrenner, maar moet net de tijd nemen om zich te ontspannen en van het landschap te genieten. Volgens sommige commentatoren is te snel en te lang rijden zelfs ongezond. Wanneer de Belgische Wielrijdersbond in 1894 een tocht organiseert waarbij fietsers honderd kilometer in minder dan zes uur moeten afleggen, komt haar dat om die reden op scherpe kritiek van het tijdschrift Le Cycliste Belge te staan.

Vechten voor rechten

De negentiende-eeuwse fietser zoekt plezier én een betere samenleving. Gewoon uitstapjes maken was daarvoor niet genoeg. Op het moment dat de fiets doorbreekt, is de Belgische verkeersinfrastructuur helemaal nog niet afgestemd op het nieuwe voertuig. Veel wegen zijn nog bedekt met kasseien of zelfs helemaal onverhard, wat erg oncomfortabel rijden is. Al vanaf de vroege jaren 1890 beginnen fietsersorganisaties daarom ook te ijveren voor beter uitgeruste wegen, die voldoende rekening houden met de noden van de nieuwe categorie van weggebruikers. Met zijn pamflet La question des routes ligt Roger de Goeij in 1891 aan de basis van de eerste grootscheepse campagne voor de aanleg van fietspaden in België. Nog in hetzelfde jaar richten gemotiveerde fietsactivisten op basis van zijn ideeën zelfs een speciale organisatie op, de Ligue Nationale pour l’Amélioration des Routes. Die Ligue lobbyt bij de overheid om fietspaden aan te leggen of om bestaande straten van een betere wegbedekking te voorzien. Hoewel ze relatief weinig succes kent, wordt haar strijd al snel overgenomen door de Belgische Wielrijdersbond en de Touring Club.

Vooral die laatste mobiliseert haar snelgroeiende ledenbestand en uitgebreide politieke netwerk om een beter wegennet te realiseren. Waar ze dat nodig acht, financiert de Touring Club gewoon zelf de aanleg van fietspaden. In 1897 betaalt de organisatie bijvoorbeeld mee de aanleg van een fietspad vanuit Antwerpen centrum naar… de populaire taverne Dikke Mee. Door al die inspanningen ligt er in 1898 al 1041 kilometer aan fietspaden in ons land. Hoewel het moeilijk blijft om overheden van de nood aan speciale fietswegen te overtuigen, slaagt de fietsersbeweging er wel degelijk in om iets te veranderen.

Het blijft trouwens niet bij ijveren voor betere wegen. Op alle vlakken proberen de negentiende-eeuwse fietsers plaats te maken voor hun geliefde voertuig. Gelijk met de strijd voor betere wegen ijveren fietsersorganisaties bijvoorbeeld voor betere voorwaarden voor het transport van fietsen met de trein. Veel fietstoeristen zijn geen fan van de spoorwegen. Willen ze zo snel mogelijk in de Ardennen of in pittoreske streken ver buiten de stad geraken, dan is de trein echter vaak de snelste optie. Sneller, maar niet eenvoudiger of goedkoper: het transport van hun fiets in de bagagewagon kost immers buitensporig veel geld. Bovendien wordt die fiets soms mismeesterd door het treinpersoneel, dat weinig ervaring heeft met het nieuwe voertuig.

Is je fiets heelhuids op en van de trein krijgen een uitdaging, dan is het oversteken van de grens met Frankrijk of Nederland dat helemaal. Zeker aan de grens met Frankrijk worden fietsers door Belgische douaniers vaak verplicht om hoge invoerrechten op hun eigen voertuig te betalen wanneer ze van een uitstapje terugkeren en het land weer binnen willen. De douane ziet hun fietsen in zulke gevallen immers als een geïmporteerd handelsproduct! Pas na veel gelobby door fietsersorganisaties verbetert die situatie.

Vanaf 1896 krijgen leden van erkende verenigingen zoals de Touring Club de garantie op vrije doorgang voor hun fiets aan de Franse grens. Toch blijft elke passage aan de douane een tijdrovende bezigheid. Geen wonder dat reisauteur Arthur Cosyn in 1897 zelfs droomt voor een volledig vrij verkeer tussen de Europese landen! Of hoe fietstoeristen al een eeuw voordien voor een Europa zonder grenzen pleiten…

Tags:
toerisme

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.