longread
retro
Flandrien

Flandriens in Noord-Frankrijk. Het vergeten verhaal van de renner-seizoenarbeider

13min leestijd   door Dries De Zaeytijd op 25 juni 2021
Belgische toprenners als Rik Van Steenbergen, Briek Schotte en Stan Ockers kleuren begin de jaren vijftig mee het internationale wielergebeuren. In hun zog probeert een peloton renners een trapje hoger te klimmen op de wielerladder. In tegenstelling tot Schotte en co koersen zij niet voor een stevig loon, maar wel voor de spreekwoordelijke broek en trui. Uit financiële noodzaak combineert een aantal West- en Oost-Vlaamse renners een coureursleven met dat van seizoensarbeider in Noord-Frankrijk. Op die manier blazen zij – onbewust – de oorspronkelijke betekenis van de term Flandrien nieuw leven in.

Weinig mensen kennen nog de oorspronkelijke betekenis van het begrip ‘Flandrien’. ‘De Flandrien’ was in wezen geen robuuste coureur of stilistisch weinig onderlegde stoemper zoals de overlevering het wil, maar wel een doodeenvoudige Vlaamse seizoensarbeider. Omdat de omstandigheden voor veel mensen in het Vlaanderen van midden 19de eeuw weinig rooskleurig zijn, emigreren een pak West- en Oost-Vlaamse arbeiders (tijdelijk) naar regio’s waar geld te verdienen is: richting steenkoolmijnen in de bloeiende Waalse industriebekkens of over de schreve in de Noord-Franse bietenvelden of asten (chicoreidrogerijen).

Rond de eeuwwisseling werken om en bij de 50.000 Vlamingen als seizoensarbeider in Noord-Frankrijk. Hard werken, dat kunnen ze wel die Vlamingen. Maar al snel krijgen ze de naam als zouden ze koppigaards, drinkebroers en vechtersbazen zijn. De plaatselijke Noord-Franse bevolking noemt hen schimpend ‘les Flandriens’. Gastarbeiders die het vuile werk opknappen, zijn ook in die tijd niet overal even welkom. In eigen land gaan worden die Flandriens trouwens al even misprijzend ‘Fransmans’ of ‘Trimards’ genoemd. Het gebruik van de term ‘trimard’ werd populair na de publicatie van de gelijknamige roman van Warden Oom in 1912, over het leven van op tjsool zijnde seizoensarbeiders.

Kwalijke reputatie

Karel Van Wijnendaele, wielerduizendpoot en in die periode oppergaai van het Vlaams-Belgisch wielrennen, zal de scheldnaam ‘Flandrien’ oppikken om er een soort eretitel of geuzennaam van te maken. Als manager heeft Van Wijnendaele een groep West- en Oost-Vlaamse coureurs onder zijn hoede. Als zijn renners na een ‘wild’ optreden op een Brusselse velodroom door de Franstalige pers als Flandriens worden gebrandmerkt, doopt hij zijn coureurs prompt ‘Flandriens’. Ook na het opdoeken van zijn rennersformatie midden jaren 1920 blijft Van Wijnendaelde het begrip Flandrien hanteren. Koarle, één van de founding fathers en hoofdredacteur van de gretig gelezen krant Sportwereld, gebruikt maar al te graag het woord Flandrien in zijn schrijfsels. Van Wijnendaele portretteert zijn Flandriens als (West- en Oost-)Vlaamse renners die dankzij de koers aanzien en status in de maatschappij verwerven en hun afkomst als armoezaaier achter zich laten. Toonbeelden ook van Vlaamse spierkracht en weerbaarheid, die perfect passen in het flamingantisme van Van Wijnendaele.

Anno 1950 is deze invulling van het begrip ‘Flandrien’ achterhaald. Briek Schotte geldt nu als de verpersoonlijking van ‘de Flandrien’, omwille van zijn voorliefde voor slecht weer, zijn kromme houding op de fiets, zijn aanvalsdrift en zijn bescheiden afkomst. Of Schotte nu al dan niet een voorbeeld-Vlaming is, doet er veel minder toe. Briek staat bovendien geboekstaafd als de ‘laatste der Flandriens’, wat er op wijst dat de Flandriens met uitsterven bedreigt lijken. Nochtans steekt op dat moment een nieuwe generatie échte Flandriens de kop op.

Leeghangers

Als gevolg van de voorspoedige economische omstandigheden is het leven van de Belgische burger kort na de Tweede Wereldoorlog stukken beter dan in de jaren dertig. De lonen van arbeiders gaan omhoog, die van wielrenners stagneren. Renners gaan in verhouding minder verdienen dan twintig jaar terug. Het is nu niet meer zo dat een coureur na zijn loopbaan kan rentenieren. In tegenstelling tot vroeger wordt iemand nu vooral wielrenner omdat hij het wil, niet omdat het renner-zijn een aardige stuiver oplevert.

In 1947 wijst Willem Van Wijnendaele zijn Sportwereld-lezers (waaronder heel wat renners) op die ontwikkelingen: “Op de baan is er in de winter helemaal niets en op de piste slechts voor enkele uitverkorenen iets te verdienen. En dan nog! Waarom dan ‘leeghanger’ spelen als ge een stiel kent? Want het wordt velen eindelijk duidelijk dat het wielrennerschap geen beroep is waarvan men uitsluitend kan blijven leven. […] Voor 250 van de 300 aangesloten beroepsrenners is hun beroep van wielrenner noodzakelijk een bijzaak geworden. Het kan onmogelijk langer hoofdzaak zijn.” Deze crisis in de wielerwereld houdt de zoon van Karel nog een aantal maanden bezig. In november 1947 stelt hij vast dat de winter een “ideale periode is om bekendheid als renner op zakelijke wijze uit te buiten.” De Oost-Vlaamse beroepsrenner Marcel Ryckaert is tijdens de winter vertegenwoordiger van kaders en rijwieltoebehoren en getuigt: “De mensen helpen mij. Ze kopen om mij een plezier te doen waar ze een ander weigeren. Sportfaam is een sleutel die vele deuren opent. […] Een goed renner kan in de zomer goed verdienen om een behoorlijk bestaan te hebben, maar ze zijn zeldzaam die zoveel winnen dat zij daarvan ook in de winter kunnen bestaan.”

Twee jaar later gaat Willem Van Wijnendaele verder en dieper in op dit thema. De journalist maakt in het najaar een roadtrip en laat zich door de Moeskroense BWB-délégué Odiel Desmet door het zuiden van West-Vlaanderen gidsen. Beide heren ontmoeten elkaar voor aanvang van de trip in café ‘In de werkmanskantien’ in Menen, waar streekrenners op training en seizoensarbeiders op doortocht graag halt houden. Beroepsrenner Georges Casier is er waard (hieronder al ‘achter een toog staan’). Na zijn rondreis concludeert Van Wijnendaele dat heel wat profrenners en onafhankelijken – de verdwenen categorie tussen de juniores en beroepsrenners – ’s winters aan de slag gaan als arbeider (Emmanuel Thoma, Albert Anutchin, André Pieters,…), mijnwerker (Eric Vercruysse), of – en in het bijzonder – als cafébaas. Na zijn tocht moet de journalist vaststellen dat maar liefst acht van de vijftien renners die hij sprak achter een toog staan. Onder hen toppers als Maurice Desimpelaere en Roger Decock. Over Maurits Meersman (grootvader van Gianni) schrijft hij: “Ook Maurits Meersman baat dergelijke zaak uit, doch heeft eerst 7 weken in de beten (bieten, nvdr) gearbeid.” Meersman is niet de enige.

Coureurs in het veld

Jerome Stevens, journalist bij Het Volk, ontmoet tijdens een door het ACV (Algemeen Christelijk Vakverbond) georganiseerd bezoek aan Noord-Frankrijk nog een resem andere (prof)renners die ook in de bietencampagne of den ast actief blijken te zijn. In Het Volk van 21 november 1949 pent Stevens onder de kop ‘Vlamingen als onklopbare kampioenen in de Franse suikerfabrieken’ zijn bevindingen neer. De journalist begroet onderweg verschillende hem bekende sportmensen. In Bihucourt ziet hij profrenner Michel Remue (Groene Leeuw), in Savee-Bartelle en Iwuy de profs Michel Hermie en Gerard Vandesteene (La Gantoise) en verderop ook nog Albert Defrez (prof bij The Modern). Tussen alle andere arbeiders vormen de renners die ’s winters aan het werk zijn als seizoensarbeider weliswaar een minderheid, maar maar de journalisten en niet-koersende seizoensarbeiders kijken op naar die Flandriens die in de zomer zweten op de fiets en in de winter zwoegen op het veld of in de ast. “Hoeden af voor zulke bonken!,” concludeert Stevens.

Sportavonden

Op initiatief van Joris ‘pasterke’ De Jaeger, aalmoezenier van de West-Vlaamse seizoensarbeiders en Leon Bruggeman, ACV-voorman, groeit begin jaren vijftig het idee om de astepieten en bietenmannen jaarlijks samen te brengen in het Noord-Franse Loon-Plage (nabij Duinkerke), het centrum van de astennijverheid. Omdat sport – in het bijzonder voetbal en wielrennen – de seizoensarbeiders nauw aan het hart ligt, willen de inrichters aan die ontmoetingsdag ook een heuse ‘sportavond’ met bekende profrenners koppelen. In zijn boek Asten, bieten en… mensen (1986) schrijft Bruggeman waarom die interesse en bewondering voor renners zo voelbaar is: “Gaarne komen de seizoensarbeiders met de vergelijking voor de dag dat zij ook een beetje ‘coureur’ zijn. Zij doen hun Ronde van Frankrijk, zijn niet bang van zwaar labeur, vergelijken het werk met tijdritten en het kan nijpen als bergen miserie moeten overwonnen worden. Ze moeten echter wel meer uren kloppen…”.

Gaarne komen de seizoenarbeiders met de vergelijking voor de dag dat zij ook een beetje ‘coureur’ zijn.
Leon Bruggeman

Nadat Albert Sercu en Valère Ollivier in 1953 de spits afbijten, volgt nog een eregalerij aan andere renners. Gilbert Desmet, Jan Adriaensens, Fred Debruyne, oud-Tourwinnaar Lucien Buyze, Hilaire Couvreur, Rik Van Steenbergen, Willy Planckaert,… allemaal passeren ze de revue. Flandriens die Flandriens toespreken, kan het nog mooier? Jazeker. Als profrenner-seizoensarbeiders Willy Vermote en Lucien Stevens die ene dag hun astenplunje inruilen voor het podium en hun collega-seizoensarbeiders vertellen over hun zomerse sportprestaties in de zomer bijvoorbeeld.

Laatste der Flandriens

Samen met Lucien Stevens behoren Oswald Declercq en Constant Schreel tot de laatste nog in leven zijnde ‘echte’ Flandriens. Oswald Declercq wordt in 1959 prof bij de Groene Leeuw-ploeg van Berten Dekimpe. Als prof krijgt Oswald dat jaar maandelijks 4.000 fr., wat in die tijd zeker niet slecht is. Voor tien maanden welteverstaan, want in de resterende twee maanden wordt niet gekoerst. Tijdens die periode moet hij maar op een andere manier inkomsten te zien verwerven. Koersen op de piste is een mogelijkheid. Declercq kan drie achtereenvolgende keren van start gaan in de Zesdaagse van Gent. Twee keer in duo met Edgar Sorgeloos en een keer met Gilbert Maes. Daarna krijgt Declercq geen contract meer aangeboden. Via ronselaars in een café verneemt Oswald dat er volk nodig is in de asten in Noord-Frankrijk. Weinig later werkt Oswald voor het eerst in een ast: “In de wintermaanden trainde ik niet. Ik zat zonder inkomen en het werk in de ast verdiende goed. Waarom zou ik daar niet op ingaan?” De beroepsrenner komt terecht in Carvin, op zo’n 20 km van Rijssel. “Van half oktober tot het einde van het jaar werkte ik daar in de ast. Vaak van 3 uur ’s morgens. Ik en mijn werkmakker wisselden elkaar af. Het was er bloedheet. We stookten met cokes en die gaven niet alleen warmte maar ook gasdampen af. We sliepen op een verhoog. En er was niet alleen die warmte. De dag voor onze aankomst zaten er nog varkens in die ast.” Maar het afzien was toch de moeite: “Na drie maanden werk in de ast had je evenveel verdiend als een fabrieksarbeider in een heel jaar.” Eenmaal thuis gaat Declercq nog altijd niet gaan trainen. Tot half april verdient hij nog de kost bij een bloemist in de buurt. Pas half april begint hij opnieuw te trainen. “Vanaf mei koerste ik weer. Na drie koersen was ik weer in topconditie.” In die tijd is trainen in de winter nog verre van gemeengoed. Ook de ploegleiding zelf heeft geen bezwaar tegen die toch wel zware fysieke inspanningen van hun renners in de winter.

Premiecoureurs

Tijdens één van zijn campagnes krijgt Oswald Declercq onverwachts collega-profrenner Constant Schreel als werkmakker in zijn ast te Carvin. Nadat de vaste compagnon van Declercq onverwacht het werk in de ast niet meer ziet zitten en halsoverkop vervroegd naar huis terugkeert, staat Oswald er helemaal alleen voor. Inderhaast wordt een vervanger op het thuisfront opgetrommeld. En net op dat moment is Constant Schreel thuis gekomen van een astencampagne in Audricq. De tamtam doet zijn werk en weinig later vertrekt Constant opnieuw naar Frankrijk. Een vluchtig geschreven briefje moet vrouwlief verwittigen dat hij opnieuw een eindje van huis zal zijn…

In tegenstelling tot Declercq moet Schreel het als prof met een stuk minder loon zien te rooien. Als beginnend prof bij Solo-Van Steenbergen verdient hij maandelijks 1.500 fr. In de winter van 1961 kan Schreel van start gaan in de Gentse Zesdaagse. Schreel, in wezen een pistecoureur, wordt door Kuipke-directeur Oscar Daemers ontboden op zijn hoofdkwartier en krijgt 20.000 fr aangeboden als startgeld. “Ik weigerde dat bedrag en zei hem dat ik in de ast op drie maand tijd 75.000 fr kon verdienen. Hij werd woest. Maar van die 20.000 fr. moest je je loopjongen betalen, je eten, je mecanicien, je soigneur,… Voor dat bedrag ging ik bijna moeten toesteken.” Uiteindelijk biedt Daemers hem 25.000 fr. “Ik mocht het tegen niemand zeggen. Ik ging akkoord en kon van start gaan.”

Schreel toont meteen dat hij zijn geld waard is. “Ik was een premiecoureur en pakte zowat alle premies in de aanvangsfase van de Zesdaagse. Iedere avond was er ook een sprint voor een auto én een keuken ter waarde van 15.000 fr. Ik ging vol de spurt aan met de Australiër Arnold in mijn wiel. Hij kon me niet meer remonteren en ik won.” Zijn spurtzege wordt Schreel niet in dank afgenomen: “Nadien komt Daemers naar mij. Ik ga rechtstaan – zo ging dat in die tijd – en luister naar wat hij zal zeggen. Geen felicitaties maar alleen de dwingende boodschap om dat nooit meer te doen: ‘Zo sprinten voor een grote premie! Grote premies zijn voor grote coureurs.’ Ik hoor het hem nog altijd zeggen. En daarmee was de kous af. Ik kon fluiten naar mijn keuken.” Koersen om den brode blijkt niet altijd even gewaardeerd. Een jaar later kent Schreel een soortgelijke ervaring. In 1962 maakt hij indruk tijdens het prestigieuze Avondcriterium van Moorslede. Op vraag van Daniël Doom gaat hij op het allerlaatste moment in zijn plaats van start, weliswaar na lang aandringen bij Jean Van Buggenhout, manager en fixer van zowat alle criteriums in het land. Schreel beschaamt het vertrouwen van Van Buggenhout niet en maakt koers. “Onderweg was er een premiespurt voor een canapé. Ik won die en was op dat moment een beetje los van het peloton. Ik bleef verder rijden, wat niet naar de zin was van Van Buggenhout. Hij verplichtte een aantal mannetjes om mij terug te halen, maar het lukte hen niet. Ik won het avondcriterium maar had er weinig plezier aan. Nadien mocht ik geen enkel criterium meer rijden…”.

Laatste der Flandriens (bis)

Om het gebrek aan inkomsten op te vangen, trekt Schreel in de winter van 1963 naar de ast. Zijn ast-ervaring als 17-jarige en van vlak na zijn legerdienst komen goed van pas. Schreel doet samen met één collega een ast die eigenlijk voor drie man bestemd is. “Dagelijks verschepten we met twee 45.000 kilo chicorei. Na drie maanden stonden mijn handen helemaal krom. Nu is mijn rug versleten. Toen ik eens bij mijn dokter was, vertelde hij me dat het drie maanden duurt vooraleer al dat stof en gas uit mijn longen was. En na drie maanden in de ast, ging ik weer koersen… In de ast moesten we niet echt aan iets denken. Zo kregen we alles aan huis geleverd: brood, vlees, drank,… de commercanten in de streek kenden gouden tijden. Na drie maanden gingen we dan op tournee en gingen bij al die mensen onze schulden gaan betalen. Met hier en daar een aperitiefje. Och, we werkten alle twee keihard in de ast. En het strafste van al: ik jeunde mij daarin!”. In 1964 trekt Schreel midden het seizoen de remmen definitief dicht. Op 24-jarige leeftijd. Geen courage meer. En als zijn vaste compagnon in de ast het voor bekeken houdt, sluit ook Schreel het Noord-Franse hoofdstuk af. Van dan af gaat hij aan de slag als vrachtwagenchauffeur. Oswald Declercq houdt het na vijf chicoreicampagnes voor bekeken en gaat dan net als Constant de kost verdienen aan het stuur van een vrachtwagen. Flandriens zijn ook maar mensen.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

Koers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.