9min leestijd   door Dries De Zaeytijd op 15 juli 2021
Jean Bogaerts schreef geschiedenis door in 1945 de allereerste editie van de Omloop Het Volk te winnen. Vijf jaar voor die spraakmakende zege was de Vilvoordenaar een vluchteling, die uit de schrik voor de Duitse agressors naar Frankrijk trok. Op latere leeftijd zette Jean zijn oorlogswedervaren op papier en bezorgde een kopie aan zijn vrienden Rita en Marcel Vandenbossche, van wie de nalatenschap wordt bewaard in KOERS. Dit handgeschreven verslag, dat negen pagina's telt, is licht herwerkt in functie van dit artikel.

Op de vlucht voor 'den Duits'

“Vrijdag 17 mei 1940 om 10 uur ’s avonds kwamen nonkel André en nonkel Jan met de fiets bij ons in de straat en zegden ‘Allé Jean, ga mee op de vlucht’. Dat moesten ze me geen twee keer zeggen. We reden langs Strombeek, Meisse, Brussegem en dan de steenweg naar Asse. We reden daar met de fiets tussen tanks en veel camions die zich voor de Duitsers terugtrokken, wat heel gevaarlijk was voor ons maar geen genade we reden verder. Zo gingen we via Ninove naar Oudenaerde, het was toen al midden in de nacht. We werden tegengehouden in den donker door gendarmen. De nonkels mochten verder maar ik was geen 16 jaar en mocht niet door. De nonkels waren niet ’t akkoord en we reden een stuk terug en zochten naar een andere uitweg in het donker. Dat kwam allemaal goed. Om 4 uur werd het al klaar. We moesten wel door bossen maar we vonden de weg van Oudenaerde, daarna naar Waregem, Ingelmunster en kwamen te Roeselare aan rond 8 uur. Het zat er vol vluchtelingen, wel rond 1 miljoen.”

Roeselare

In Roeselare ziet Jean zijn vader terug en laat hij zijn fiets door een plaatselijke fietsenmaker voorzien van een bagagedrager. Zo kan hij zijn doos broodsuiker, die hij thuis op z’n rug had gebonden, op zijn fiets vastbinden: “De doos broodsuiker had mijn rug kapotgeschuurd, ’t bloed hing aan mijn chemise.” In Roeselare overnacht Jean op het voetpad: “er was geen ander plaats.” Vanuit deze stad trekt het gezelschap op zondag naar de Franse grens: “De vluchtelingen mochten er niet door. We zochten een andere uitweg. Ik zag daar een veld met graangewassen platgelopen van de vluchtelingen, ik zeg bij mezelf dat is het. Wij met zijn 5 zo over de grens geraakt. De eerste stad in Frankrijk die we binnenvielen was Saint Omer. Abbeville, Dieppe en Le Havre waren drie steden waar we niet door mochten. Ze waren gebombardeerd door de Duitsers. Er waren veel doden, we hebben geluk gehad dat we een dag in Roeselare zijn blijven zitten en daarmee ook een dag later Frankrijk zijn binnen gereden.”

Evreux

Na passages in onder meer Le Trepor, Rouen en Le Neubourg belandt het groepje in Evreux, in vogelvlucht zo’n 300 km van Roeselare. Daar krijgen ze af te rekenen met een hevig onweer en schuilen ze in een stal: “neven mij koeien, er was veel stro daarmee kon ik me beschutten tegen afval van de koe die naast me lag. Daar was het ongeveer dat de Fransen ons niet meer moesten hebben, koning Leopold had zich overgegeven en de Fransen waren heel kwaad op de Belgen. Daardoor moesten we verscheidene dagen onze plan trekken om te overnachten. We trokken almaar verder. Enkele dagen later waren de Fransen het ook beu om de Duitsers tegen te houden en werd het terug beter voor ons. Vanuit Evreux trokken we altijd maar verder op weg naar Le Mans, een hele grote stad, vliegplein en van alles. Nadat we de stad hadden doorkruist, zagen we een hele stapel fietsen liggen, heel hoog. We gingen inlichtingen nemen. Het waren fietsen van vluchtelingen. Wij moesten dan ook onze fietsen achterlaten en ons adres (Belgisch) op een kaartje schrijven. We werden nadien naar een trein geleid en we dachten: onze fiets, die mogen we vergeten.”

Montalba-le-Château

“We zaten op de trein, maar niet in 1ste of 2de klas, wel op een goederentrein of om beesten te vervoeren. We konden ons op ons gat zetten en dan was het nog geen luxe.” Vanuit Le Mans reist Jean met zijn gezellen via Poitiers naar Bordeaux. Daar krijgen ze te eten: “op de quai lagen hopen broden, nooit gezien.” Na enkele uren pauze rijdt de trein via Toulouse en Carcasonne naar Perpignan. “In Perpignan moesten we op een camion (open) met zijkanten 50 cm hoog. Zo reden we dan 160 kilometer naar Montalba-le-Château. Daar werden we afgezet aan de voet van het dorpje. We moesten te voet naar de grote plaats van dat dorp, maar die was nog zo groot niet als mijn hofje. Daar werden we verdeeld met hoeveel we waren om bij de eigenaars te gaan slapen. De burgemeester en de eigenaars van de panden stonden daar ook. Wij mochten mee naar een zekere Ferdinand, die niet ver van de marktplaats woonde. We werden er heel vriendelijk ontvangen van zijn vrouw en we waren direct in den hemel.”

“In Montalba-le-Château waren we in alles goed voorzien. We kregen eten maar moesten het op de grote plaats gaan halen om gereed te maken. De volgende dagen gingen we iedere dag naar de markt in Ille-sur-Têt, een groot dorp. Daar konden we het een en ander kopen maar vlees was er niet veel. Er was in dat dorp ook een rivier. We gingen er vissen en konden zo vis bakken in den haard. Zo verliepen de dagen. Ik weet nog wanneer we terug kwamen van Ille-sur-Têt er onderweg ineens een slang op haar staart in het midden van de straat stond. Ik heb dan maar een steen opgeraapt en naar haar kop gesmeten en ’t was er juist op en ze was op slag dood. We hebben ze mee naar huis genomen, gevild en op ne stok laten drogen boven ons deur in de zon. De dorpelingen begonnen schrik te krijgen van ons.”

Met tegenzin naar huis

Montner

“Ongeveer drie weken nadat we in Montalba waren aangekomen, ontvingen we het nieuws dat we onze fietsen konden gaan ophalen. Ze waren toegekomen in een dorp in de buurt. We zijn er te voet naartoe geweest. We waren gelukkig dat we terug konden fietsen. Wij met de fiets terug naar Montalba en natuurlijk was het bergop. Mijn nonkels en mijn vader konden niet volgen. Enkele dagen later kregen we geen goed nieuws. We moesten Montalba verlaten, de reden weet ik niet. Van Montalba moeten we naar Montner verhuizen, 15 kilometer verder. Ik vond het spijtig, we kenden nu iedereen en nu moesten we weg maar niets aan te doen.” In Montner krijgt de groep een leegstaand huis – “het was een ingang van 1 meter en dan enkele meters om in de keuken te geraken” – toegewezen door de burgemeester. Jean houdt zich voornamelijk in het huis bezig, terwijl twee van zijn nonkels aan het werk kunnen.

Vierzon

“De tijd liep altijd verder, de mannen begonnen tussendoor te spreken om terug naar huis te rijden. Dat was niet voor mij en we vernamen dat we nog niet mochten naar België terugkeren. De wegen waren bezet en te veel op de baan om terug naar België te rijden, zodus ik raadde dat altijd af. Maar op zekere dag kon ik hen niet meer tegenhouden en we vertrokken terug naar het vaderland. We waren nog niet lang vertrokken uit de Pyreneeën of we zagen Fransen die ons ‘vin’ toeriepen. Ons interesseerde dat niet maar mijn pa die dronk overal waar het hem werd aangeboden. Zo bleven we nog wat in de bergen. Daarna bergop en bergaf. Mijn pa was achterop geraakt. Boven op een col besloten we te wachten. Na twee uur kwam hij boven. Strontzat en kwaad op mij omdat ik niet bij hem gebleven was.” Op weg naar Parijs komt de groep in Vierzon voor het eerst oog in oog te staan met de Duitse bezetters: “We waren alle vijf verstomd, dat grijs kostuum en die plak op hun borst. We hadden schrik. Ze hielden iedereen tegen en we moesten onze paspoorten tonen. We mochten alleen door in groepjes van minstens negen personen. We moesten niet lang zoeken naar vier andere Belgen. Dan toonden ze ons de weg waar we een trein naar Parijs konden nemen. Dat was niet slecht, we hadden er al 700 kilometer opzitten.”

Parijs-Brussel

“We reden met de trein tot in Parijs, Gare Austerlitz. We mochten ’s anderdaags een trein naar België nemen, maar de nonkels wilden niet wachten. We trokken dan maar verder met de fiets. Tegen vijf uur kwamen we aan in Soissons. Een grote stad maar we zagen geen mens. Niks dan verlaten huizen, allemaal kapot en leeg. In een dorp dichtbij hoorden we dat alles verderop was kapot geschoten en plat gebombardeerd door de Duitsers en dat er geen brood was. We begonnen onderweg maar brood te kopen waar we er konden krijgen. Ik had er een van 5 of 6 kg, door het midden een gat gemaakt dan een koord er door en aan mijn rugzak vastgemaakt. Die baan tussen Parijs en Brussel heb ik later wel 5 keer gedaan in de koers Parijs-Brussel.”

Koningslo

“De laatste rit tussen Soissons en ons huis was een etappe van 250 kilometer. Op een vrouwenfiets van 25 kilogram en een brood van 6 kilo. Niemand sprak van vermoeidheid. Zo zijn we samen na drie maanden terug in Koningslo aangekomen. Het was rond 5 uur ’s namiddags. De vlucht was voorbij en het leven ging verder. We maakten kennis met de Duitsers, ze kwamen naar onze winkel om inkopen te doen voor hun familie in Duitsland. Bruin brood kregen we van hen zodus wat er gebeurd is met dat brood van 6 kilo weet ik niet meer. We hadden konijnen? Daarmee was ons samenzijn gedaan. We zullen die reis nooit vergeten. Ik had graag langer in Frankrijk gebleven maar de nonkels en mijn vader wilden naar huis. Maar ik was ook blij om weer thuis te zijn.”

De reis van Jean Bogaerts

Roeselare

Jean vindt zijn vader terug en overnacht er. Die overnachting heeft mogelijks zijn leven gered. 's Nachts hebben de Duitsers verschillende steden, waaronder Abbeville, Dieppe en La Havre, gebombardeerd. Vanuit Roeselare trekt hij verder naar Saint-Omer.

Jean Bogaerts

Jan (Jean) Bogaerts (Vilvoorde, 19 januari 1925 - Schaarbeek, 28 januari 2017) Was een Belgische wielrenner. Hij werd in 1945 de eerste winnaar van de Omloop Het Volk. Hij was beroepsrenner tussen 1945 en 1955.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

Koers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.