Ronde van Frankrijk
kortverhaal

Het mysterie van de eerste gele trui

10min leestijd   door Herman Chevrolet op 23 juni 2021
Philippe Thys werd wakker. Onmiddellijk daarna sloot Henri Desgrange weer zijn ogen, in een poging om het vage idee dat hem in die nacht was opgekomen te plaatsen. Eén ding wist hij zeker: het zou hem genoegen verschaffen. Niet alleen hem, ook anderen zouden het een briljant idee vinden. Na een sober ontbijt en zijn gymnastiekoefeningen stapte hij in zijn bordeauxrode Martini. Piekfijn gekleed, mooie vouw in zijn wollen pak. Hij kwam er altijd net zo piekfijn weer uit, desnoods een tiental uur later. Hij liet zich naar de start van de komende etappe in de Ronde van Frankrijk brengen, maar controleerde wel eerst of er een lege melkfles in de zijvakken van de autodeur zat – daarin kon hij plassen en zou er geen tijd verloren gaan aan futiliteiten. Il faut travailler zei hij tegen zijn chauffeur. Het was het sein dat de dag definitief begonnen was.

Hij werd wakker. Onmiddellijk daarna sloot Henri Desgrange weer zijn ogen, in een poging om het vage idee dat hem in die nacht was opgekomen te plaatsen. Eén ding wist hij zeker: het zou hem genoegen verschaffen. Niet alleen hem, ook anderen zouden het een briljant idee vinden. Na een sober ontbijt en zijn gymnastiekoefeningen stapte hij in zijn bordeauxrode Martini. Piekfijn gekleed, mooie vouw in zijn wollen pak. Hij kwam er altijd net zo piekfijn weer uit, desnoods een tiental uur later. Hij liet zich naar de start van de komende etappe in de Ronde van Frankrijk brengen, maar controleerde wel eerst of er een lege melkfles in de zijvakken van de autodeur zat – daarin kon hij plassen en zou er geen tijd verloren gaan aan futiliteiten. Il faut travailler zei hij tegen zijn chauffeur. Het was het sein dat de dag definitief begonnen was.

Elke dag stonden er minder renners aan de start. Hij keek naar de renners en wat hij zag, dat beviel hem niet. De vage gedachte die al een tijdje in zijn gedachten spookte, sluimerde weer op toen hij de ploeg Peugeot zag staan. Ze troepten samen rond een jonge Belgische renner en ze maakten grapjes. Vulgaire grappen. Dat moest haast wel. Hij hoorde hen niet maar zag aan hun besmuikt lachen dat het wel schunnige praat moest zijn. Hij keek naar de renners en wat hij zag zinde hem echt niet. Elke dag ontving hij talloze klachten van de bewoners van de steden waar een ritte startte of eindigde. Hoteliers verklaarden onomwonden dat ze het volgende jaar geen enkele renner meer wilden zien.

Kortom, iedereen ergerde zich aan de renners. Ze roken niet fris, ze aten als barbaren zonder tafelmanieren, spuugden op de grond en zongen liedjes waar troelala in voorkwam. Desgrange zag mannen van ordinaire afkomst, mannen die geen oog hadden voor hygiëne, mannen die urineerden en publiekelijk ruzie met elkaar maakten. Er moest iets te vinden zijn om hen trots te maken, een symbool waarvoor ze wilden strijden.

Iedereen ergerde zich aan de renners. Ze roken niet fris, ze aten als barbaren zonder tafelmanieren, spuugden op de grond en zongen liedjes waar troelala in voorkwam.

Discipline in geel

Slechts één ploeg was ietwat gedisciplineerd, al vertelden ze moppen met smerige inhoud. Hij zag hen staan, rondom hen waren de mecaniciens en de ravitailleurs bezig aan de voorbereidingen voor de zware rit die komen moest, die was niet mis: van Bayonne naar Luchon. Een monsterrit door de Pyreneeën – netzomin als de Tour kwam dat idee ook niet van Desgrange. Al die verzorgers en mecaniciens droegen truien – gele truien. Ze werden les lions jaunes genoemd. Alphonse Baugé, de sportdirecteur van Peugeot, had dit bedacht, zo konden zijn renners in geval van nood hen sneller opmerken. Het straalde eenheid uit, verbondenheid. Ja, Baugé had alles strak onder controle – als hij in de buurt was vertelden zijn renners geen moppen, werd er niet gevloekt of op de grond gespuugd. Bij hen was het: allen voor één, één voor allen. Discipline, dat eiste Baugé van iedereen – daar hoorden geen vuile manieren bij.

Desgrange zag die mannen in hun gele truien en wist het nu zeker, zijn idee begon concretere vormen te krijgen: stel dat hij de leider van het klassement een gekleurde trui zou laten dragen, dát zou pas opvallen tussen al die zwarte tricots. Het publiek zou hem ook beter opmerken en wanneer hij passeerde konden ze hem dan aanwijzen: ‘Kijk, daar, dat is de leider!’ Een teken van glorie voor hij die het verdiende, dat moest het zijn.

Het mooiste van dat alles, de trui zou in handen van een Fransman komen. Veel mooier dan dat kan het niet worden. Die Fransman was een kleine man uit Parijs. Het was niet de eerste keer dat hij aan de start was verschenen, maar de vorige jaren reed hij onopvallend. Niets speciaals over hem te vertellen. Tot hij in 1912 tweede werd, achter Odiel Defraeye. Hij was ijzersterk. Hij was een idealist, een dromer en kende maar één ambitie: de Tour winnen. De naam was Christophe. Eugène Christophe zag er bijna uit als een Indiaan. Sterk. Als het te warm reed hij door. Was het te koud, dan reed hij ook door. Hij zou de Tour winnen en Desgrange zou de allereerste gele trui aan een landgenoot schenken. Dat was het plan. Desgrange genoot van het idee, een gele trui om de schouders van Christophe zou euforie teweegbrengen: iedereen zou zijn krant kopen, en laat die nu eens op geel papier gedrukt worden. Toevallig dezelfde kleur als de mannen van Peugeot. Nu ja, dat kon geen toeval zijn. Dat was een overduidelijk signaal dat het een uitstekend idee was.

Tweestrijd in de Pyreneeën

We schrijven 1913. Het was tot dan toe een spannende editie geweest: er werden overal weddenschappen afgesloten, de Tour leefde in alle denkbare kroegen en cafés. Op kantoor werden discussies gevoerd. Elke vooravond troepten mensen samen aan de rue Faubourg Montmartre 10. Een man in stofjas hing een bord op aan de kantoren van L’Auto en schreef met krijt de uitslagen op. Die dan werden becommentarieerd.

Maar goed, alles verliep volgens plan. Op de Aubisque reed Christophe de hele tijd vooraan. Philippe Thys loste nu en dan de rol, kwam terug, loste weer, en dan, met plots hervonden energie, sloot hij nog eens aan. Het deerde Christophe niet. Met één hand op het stuur reed hij het zwaarste stuk van de Aubisque op en wees hij naar Thys. Die was beginnen lopen. Hij rende als een bezetene, stapte weer op zijn fiets, kwam tot tien meter en moest dan weer afstappen. Van pure opwinding moest Desgrange plassen, gelukkig was zijn melkfles nog niet vol. Thys haalde hem weer in. De omslag kwam tijdens de beklimming van de Tourmalet. Thys hervond zijn krachten en kwam als eerste boven, met een voorsprong van vijf minuten. Christophe wanhoopte niet. Hij wist dat hij Thys kon inhalen in de afdaling. Geen probleem. Per slot van rekening had hij vele jaren op dat moment gewacht. Drie kilometer verder scheurde zijn voorband door een scherpe steen. Eer hij kon remmen zakte hij door zijn fiets. Christophe moest te voet verder, zijn fiets zelf herstellen te Sainte-Marie-de-Campan. Hij verloor uren, hij verloor de Tour. Hier moeten geen woorden aan verspild worden, het verhaal is bekend.

Vervloekte gele trui

Het vage idee om de leider van het klassement in een aparte trui te kleden liet Desgrange niet los. Het zinde hem weliswaar niet dat hij de trui aan een buitenlander moest geven, maar hij had goede hoop: Gustave Garrigou zou die kleine Belg wel klein krijgen. Op zich was dat ook mooi. Na een felle strijd zou een Fransman winnen en daarmee bewijzen dat ze het nobelste en dapperste volk van de wereld waren. Voilà, het vage idee had vaste vorm gekregen. Desgrange stapte resoluut naar Baugé toe en stelde hem voor dat Thys een gele trui zou dragen. Thys weigerde, hij voelde zich al genoeg het mikpunt van al zijn tegenstanders. Desgrange drong aan, nee, eiste het, en Baugé trok dan maar naar een winkel waar hij een gele trui kocht – Desgrange had niet de behoefte geld uit te geven om zijn eigen idee te financieren. Hij kwam terug en toen ontdekten ze dat die trui niet groot genoeg was. Ze knipten dan maar de kraag weg. Thys vertrok. In een veel te kleine gele trui met decolleté.

‘Verdomme. Ik heb genoeg van die gele trui. Hij zit niet goed, hij begint te stinken omdat we hem niet kunnen wassen omdat hij dan nog kleiner zal worden en iedereen herkent me van uren afstand.’

Na enkele dagen was Thys de trui beu. ‘Verdomme’, zei hij ’s avonds tegen Baugé, ‘Verdomme. Ik heb genoeg van die trui. Hij zit niet goed, hij begint te stinken omdat we hem niet kunnen wassen omdat hij dan nog kleiner zal worden en iedereen herkent me van uren afstand.’ ‘Desgrange eist dat je die trui draagt.’ ‘Die hele Desgrange kan de pot op. Ik draag die trui niet meer.’ Thys mopperde. Thys vloekte. Thys mocht doen en denken wat hij wilde: hij moest van Baugé die trui blijven dragen – die vond het eigenlijk ook wel stoer, nu was bijna zijn hele ploeg in het geel en was de bijnaam les lions jaunes volkomen terecht. En ach, dat Desgrange de trui liever om de schouders van een Fransman wilde hebben, dat kon wel zo zijn, maar het zou niet gebeuren.

Geel weer afgevoerd

Desgrange zag het helemaal anders. Er moest iets te verzinnen zijn om zijn plan te doen slagen. Het moest wel snel gebeuren, de ritten volgden elkaar op en die Thys wilde maar niet plooien. Toen lachte het geluk Desgrange toe. Op de voorlaatste dag, van Longwy naar Duinkerken, brak Thys op de stenen van Rijsel zijn voorvork. Een wilde vlucht naar een smidse om alles weer aan elkaar te lassen. Snel stonden daar twee commissarissen toe te kijken hoe hij zijn voorvork braseerde. Hij kreeg hulp, een mens heeft nu eenmaal maar twee handen. De twee mannen keken toe. Zwijgend. Na de aankomst te Duinkerken kwam het verdict. Er werd tijd afgetrokken – de marge op Garrigou was nu geslonken tot acht minuten. Doenbaar.

Op maandag 27 juli verscheen Thys aan de start. Hij droeg weer zijn gewone trui, zes ritten in het geel waren meer dan voldoende geweest. Hij keek schichtig om zich heen, op zoek naar Desgrange die hem zeker zou aanspreken op het feit dat hij de trui niet meer droeg. Gelukkig voor hem was Desgrange al terug in Parijs, hij had nu wel genoeg rondgereden door Frankrijk en plassen in een melkfles was ook niet zijn idee van hoe een heer zich moest gedragen. In zijn werkkamer zat Desgrange te dubben, te twijfelen, zich af te vragen of het verstandig was geweest om nog helemaal niets te schrijven over de gele trui. Ja, dat was verstandig. Niemand hoefde een buitenlander te zien triomferen in een door hem bedacht symbool.

Het boeide dus niemand dat Thys weer zijn gewone trui droeg. En weet je, nu hij hem toch niet meer zou dragen konden ze hem gelijk weggooien. Weg met dat onding. Wat een onzin was dat toch, dat gedoe met die gele trui sloeg helemaal nergens op. Als die alleen maar was uitgevonden om aan een Fransman te geven dan konden ze die trui daar steken waar ze hem niet wilden hebben. Die woorden mompelde hij binnensmonds, niemand hoefde ze te horen. En zo kwam Philippe Thys aan te Parijs, als winnaar zonder gele trui. Hoewel hij die gedurende zes dagen had gedragen. Desgrange vond het best. Het gevolg? Niemand weet dat Thys de allereerste drager van de gele trui was.

Disclaimer

Dit kortverhaal is gebaseerd op de uitspraak van Philippe Thys als zou hij in 1913 de allereerste geletruidrager zijn geweest. Buiten zijn eigen woorden is daar nauwelijks bewijs voor te vinden. Algemeen wordt daarom aangenomen dat de gele trui van veel later dateert en dat de Fransman Eugène Christophe de eerste drager was in 1919.

Philippe Thys

Philippe Thys (Anderlecht, 8 oktober 1889 – Brussel, 16 januari 1971) was een Belgische wielrenner. "De Basset", zoals hij werd genoemd, was prof van 1912 tot 1927.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

Koers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.