Noël Dedeurwaerder (Roeselare, 1946) kwam als prille tiener voor het eerst in contact met de latere olympisch kampioen. Noël: "Patrick liep eerst een paar jaar school in Pecq, in de buurt van Doornik, om zijn Frans te leren. Hij verbleef er in een internaat. Op z’n veertiende trok hij naar het Koninklijk Atheneum in Roeselare. Ik zat daar toen in het eerste jaar. Patrick, die twee jaar ouder was, kwam in het derde jaar terecht. Hij kende er niemand."
"We stelden vast dat we beiden interesse hadden om coureur te worden. Zo zijn we beginnen praten en hebben we elkaar leren kennen." Noël ruilde na een jaar het Atheneum om voor de Rijkstechnische school in Roeselare. Eén van de leerlingen daar was Jean-Pierre Monseré. "Jempi had ik al eerder ontmoet. Een paar jaar daarvoor speelden we samen voetbal en zaten we in dezelfde ploeg bij SK Roeselare."
Noël groeide op in een stad waar de koers leefde. Tijdens zijn kinderjaren, de eerste helft van de jaren ‘50, telde Roeselare diverse talentrijke beroepsrenners. "We denken daarbij aan Valère Ollivier, André Declerck, Maurice Blomme, Jerome Renier en René ‘Flander’ Janssens. Een aantal van hen baatte hier ook een café uit. L’Europe in de Ooststraat was van Valère, de Fiorelli van Maurice en René had een horecazaak op het Stationsplein."
Albert Sercu, ex-prof en vader van, ontfermde zich eind de jaren ‘50 over de outdoor velodroom in Rumbeke. Die was na de Eerste Wereldoorlog door Tourwinnaar en local hero Odiel Defraeye aangelegd. De piste werd op kosten van Albert en met de hulp van een groep wielersupporters schoongemaakt, hersteld en terug berijdbaar gemaakt.
Het moest in eerste instantie een plek worden waar Patrick kon trainen en wedstrijden rijden om de knepen van het vak te leren en stappen te zetten als pistier. Op die manier investeerde Berten in de sportieve toekomst van zijn zoon.
Noël kreeg de kans om samen met Patrick te trainen in Rumbeke. "Op woensdagnamiddag of ‘s avonds na school trokken we naar de piste. We hebben er uren en uren rondgetoerd en moeten er duizenden kilometers hebben afgelegd. Door veel tijd samen door te brengen, leerde ik hem beter kennen en werden we goeie vrienden."
"Ik heb gekoerst van 1960 tot 1965. Bij de nieuwelingen, de junioren en ook nog eventjes bij de amateurs. Ik reed zowel op de piste als op de weg. Heel wat jeugdrenners hadden in die tijd een supportersclub. Via het lidgeld en diverse initiatieven kwam er geld in het laatje. Dat kon de renner in kwestie dan gebruiken om bijvoorbeeld een fiets of ander materiaal te kopen of om herstellingskosten te dekken."
Uren en uren hebben Patrick en ik rondgetoerd op de piste in Rumbeke.
"Mijn vader en moeder baatten het café De Mooie Molen uit aan de Meenseheirweg in Roeselare. Daar was mijn supportersclub gevestigd. De leden organiseerden een koers ten voordele van mij." Op 7 september 1963 vond de eerste Grote Prijs Noël Dedeurwaerder plaats, een wegwedstrijd van 66 km voor nieuwelingen met start en aankomst aan De Mooie Molen. Er zouden nog twee edities volgen.
De ouders van Patrick Sercu waren ook actief in de horeca. "Albert had een café op de markt van Izegem. Daarna nam hij L’Europe over in de Ooststraat in Roeselare. Het was het café van Valère Ollivier. Toen Ollivier in 1958 op 36-jarige leeftijd stierf, heeft zijn echtgenote de zaak overgelaten aan Albert." Sercu senior trok later terug naar Izegem om er in de Roeselaarsestraat met café Sporting en een aanpalende fietsenwinkel te beginnen.
"Ik was van plan om op 11 november 1962 deel te nemen aan de Wapenstilstandsmeeting in het Kuipke. Mijn pistefiets stond daar al op voorhand. Door een verkoudheid heb ik er echter niet kunnen rijden." In de vroege ochtend van 12 november, een aantal uren na het einde van de meeting, brak er brand uit in de Gentse velodroom. De houten piste vormde een makkelijke prooi voor het vuur.
De bekende wielerbaan werd volledig vernield. Er bleven enkel puin, as, verwrongen ijzer en zwartgeblakerde muren over. Via de radio vernam Noël het dramatische nieuws. "Toen ik het hoorde, was het eerste dat ik dacht: mijn velo zit er in." Door de wedstrijden van de dag voordien en de Zesdaagse van Gent, die een week later gepland stond, bevonden zich op het ogenblik van de brand heel wat fietsen en ander materiaal in het Kuipke. Alles ging verloren in de vlammenzee.
"Dankzij de tussenkomst en de contacten van Albert en Patrick Sercu was ik één van de renners die achteraf nog een degelijke schadevergoeding heeft ontvangen. De meesten waren hun fiets kwijt en hebben weinig of geen geld gekregen." De familie Sercu zorgde er niet enkel voor dat Noël op een financiële tegemoetkoming kon rekenen, Albert schonk hem ook één van zijn pistefietsen.
Drie jaar na de brand opende het nieuwe Kuipke z’n deuren. De eerste zesdaagse die er plaatshad, ging van start op 22 november 1965. De zege ging uitgerekend naar Patrick Sercu die een koppel vormde met Eddy Merckx. Voor beide renners, toen ploegmaten bij Solo-Superia, was het hun eerste overwinning in een zesdaagse. Voor Sercu zouden er nog 87 volgen.
"Patrick nam me mee naar Kortrijk Sport. Hij was aangesloten bij die wielerclub in Zuid-West-Vlaanderen. Zo werd ik daar ook lid en begon ik te koersen in de geel-rode truien met daarop de naam van sponsor Prisma. Dat was wel uitzonderlijk want de meeste jonge renners uit de Roeselaarse regio trokken naar KSV De Bie in Gits of de wielerclub in Torhout."
Noël was leergierig en wilde meer weten over de voeding in aanloop naar een wedstrijd. "Ik vroeg raad aan mijn huisdokter. Hij antwoordde: eet wat je moeder kookt, daar zitten alle vitaminen in. Tijdens de koers hadden veel coureurs in die tijd druivensuiker mee. Ik niet. Ik at dat niet graag want dat plakte in mijn mond."
Eet wat je moeder kookt, daar zitten alle vitaminen in.
"Op de weg won ik drie koersen. Dat was in Kortemark, Vlamertinge en Bassilly, in de provincie Henegouwen. Daarnaast behaalde ik heel wat plaatsen in de top 10. Aan de zege bij de nieuwelingen in Vlamertinge in 1963 hangt nog een speciale herinnering. Na afloop van de wedstrijd haastten we ons naar Poperinge, waar Patrick die dag bij de amateurs een koers reed. Ik was trots en wilde mijn zegebloemen aan hem tonen. De dag kon helemaal niet meer stuk toen we vaststelden dat hij ook had gewonnen."
In het schriftje dat Noël heeft bewaard, staan ook zijn prijzen vermeld. Voor een zege op de piste in Rumbeke ontving hij 300 frank en een clubzetel, geschonken door de firma Secur uit Roeselare. De overwinning op de nationale feestdag van 1963 in Bassilly leverde 400 frank op. Een jonge renner kreeg in de jaren ‘60 ook braadkippen, koekebrood en waardebonnen.
Patrick Sercu deelde zijn ervaring als pistier met zijn jongere vriend uit Roeselare. "Ik heb heel wat kneepjes van hem geleerd. Zo kon ik goed colleren (zo dicht mogelijk tegen het achterwiel van een tegenstander rijden om jezelf uit de wind te zetten, nvdr). Op de piste leer je pas echt goed rijden met de fiets en krijg je belangrijke zaken zoals behendigheid en stuurvaardigheid onder de knie."
"We trainden ook samen op de weg. Meestal met ons tweeën. We hadden zo’n beetje een vaste route in West-Vlaanderen. Van Roeselare naar Brugge en terug. Het gebeurde ook wel eens dat we gezelschap kregen van andere renners zoals Noël Vanclooster en Bernard Van De Kerckhove."
"In 1965 moest ik mijn legerdienst doen. Ik kwam terecht in het militair hospitaal op de grens van Bredene en Oostende. Tijdens die periode nam ik deel aan een examen bij de RTT, de voorloper van Belgacom en Proximus. Nadat ik afgezwaaid was, ging ik aan de slag bij de telefoonmaatschappij."
Terwijl Noël een punt zette achter zijn wielercarrière begon voor Patrick Sercu een belangrijk nieuw hoofdstuk. Hij werd in 1965 beroepsrenner. Als neoprof maakte de Izegemnaar deel uit van Solo-Superia, het Belgische team dat o.a. Armand Desmet, Eddy Merckx, Jef Planckaert, Edward Sels, Rik Van Looy en Rik Van Steenbergen dat jaar in dienst had.
Noël bleef een trouwe supporter van zijn succesvolle vriend en ging vaak naar wedstrijden kijken. Hij was er bij toen Patrick in het Sportpaleis in Antwerpen het moest opnemen tegen Antonio Maspès, de 12 jaar oudere Italiaanse pistier en zevenvoudig wereldkampioen in de sprint. "Dat was toen een wedstrijd van de jeugd versus de ervaring. Er waren heel wat supporters uit Izegem aanwezig. Mijn broer en ik stonden er met een spandoek voor Patrick. Hij versloeg Maspès die dag."
"Een ander heel mooi moment was toen hij in de Ronde van Frankrijk in eigen streek de gele trui mocht aantrekken." Etappe 6A bracht de renners op 3 juli 1974 van Dieppe naar Harelbeke over een afstand van 239 km. Sercu, toen renner bij Brooklyn, werd vierde. Dankzij de bonificatieseconden van de tussensprinten kwam hij op kop van het algemeen klassement en kreeg het geel om de schouders.
De West-Vlaamse renners waren duidelijk op het appel tijdens de passage van de Tour in hun provincie. Ook Michel Pollentier (2e), Marc Demeyer (6e) en Dirk Baert (7e) finishten in Harelbeke in de top 10. Lang kon Sercu niet genieten van de leiderstrui. Na een ploegentijdrit van 9 km, diezelfde dag nog, was hij le maillot jaune al kwijt.
Patrick Sercu reed op de piste een indrukwekkend palmares bijeen. Op de weg behaalde hij zijn belangrijkste zeges in rittenwedstrijden zoals de Tour, Giro en Tirreno-Adriatico. "Twee prestaties steken er voor mij bovenuit. Zijn olympische titel van Tokio in 1964 en de groene trui die hij veroverde in de Ronde van Frankrijk van 1974. In Izegem was er een stoet om hem te huldigen toen hij olympisch kampioen werd. Ik liep daar ook in mee. Hij werd in een open wagen rondgereden."
Na zijn carrière als profrenner bleef Patrick o.a. als bondscoach en als directeur van de Zesdaagse van Gent actief in de wereld van het baanwielrennen. "Ondanks zijn succes en status bleef hij bescheiden en vriendelijk. Hij kwam altijd goeiedag zeggen en maakte steeds tijd voor een praatje." Noël bleef contact houden, ook toen Patrick op het einde van zijn leven verhuisde naar een woonzorgcentrum in de Izegemse deelgemeente Kachtem.
Noël is ondertussen 79 jaar en heeft de fiets nooit vaarwel gezegd. Zo nam hij het afgelopen decennium als gepensioneerde nog deel aan de wekelijkse rit van de Koninklijke Vriendenkring van Belgacom. Hij rijdt nog steeds. "Dat op een koersfiets van het merk Eddy Merckx. Drie keer per week doe ik een rit van 60 km. Niet langer in groep maar alleen. Ik zorg ervoor dat ik tegenwind heb in de eerste helft. Zo kan ik met de wind in de rug terug naar huis rijden." (knipoogt)
Gents Kuipke door brand vernield, De Standaard, 13 november 1962
CORNILLIE, P. De eeuw vóór Museeuw - 100 jaar wielrennen in West-Vlaanderen - 100 jaar provinciale BWB-afdeling, Roularta Books, 1997
DE BRUYNE, F. De kampioenenreeks - deel 3 - Patrick Sercu, Boekenimport Denis, 1965
DE MAERTELAERE, R. Zesdaagsen, Uitgeverij Worldstrips, 1991
GODAERT, J., JANSSENS R. en CAMMAERT G. Tour Encyclopedie 1966-1977, Uitgeverij Worldstrips, 2000
JODEC, Het rijke wielerleven van Valeer Ollivier, Het Wekelijks Nieuws, 1958
s.n., ‘’Patrick Sercu’’ Wikipedia, geraadpleegd op 25 april 2025, https://nl.wikipedia.org/wiki/...
s.n., ‘’Wielerpiste Defraeye-Sercu’’ Wikipedia, geraadpleegd op 25 april 2025, https://nl.wikipedia.org/wiki/...
s.n., ‘’Geschiedenis van de Gentse Zesdaagse’’ lottozesdaagse.be, geraadpleegd op 25 april 2025, https://lottozesdaagse.be/nl/g...
s.n., ‘’Solo-Superia 1965’’ De Wielersite, geraadpleegd op 26 april 2025, https://dewielersite.com/db2/w...
KOERS ontving in 2019 een prachtig schilderij van Patrick Sercu, aan hem overhandigd door zijn supportersclub naar aanleiding van zijn eerste...



