Van meet af aan is er een sterke link tussen Sporta-oprichter Antoon Van Clé en West-Vlaanderen. De problemen van Romain Maes – opgehemeld na zijn Tourzege in 1935; afgeserveerd na een roemloze, vroegtijdige opgave in de Tour van 1936 – vormen de directe aanleiding tot de oprichting van Sporta. Op uitnodiging van Pater Van Clé komt Maes op de pastorie van Christus Koning in Brugge “zijn verdriet uitschreien.”
Van Clé schreef hierover later: “Hier ligt het begin van het apostolaat onder de sportlui en Romain Maes is de wegwijzer geweest.” Maes vormt niet alleen directe aanleiding; hij bezorgt van Clé ook nog eens een naam voor zijn beweging: “Wanneer wij U de Sportpater noemen, kunt U ons misschien wel als de sportapostelen beschouwen”, aldus Romain Maes. Sporta – een afkorting van Sportapostolaat – is geboren.
De eerste echte publieke uiting van de nieuwbakken beweging in West-Vlaanderen is de Sportabedevaart in 1943 in Torhout: “Na de Mis in de hoofdkerk trok men al biddend, de fiets aan de hand, naar de Mariakapel in Wijnendaele-bos. Succesvol, stijlvol, indrukwekkend, pionierswerk en sensatie: zo véél renners!”
Met hun openbare geloofsbelijdenis moeten renners andere (sport-) mensen inspireren. De praktiserende katholieke Briek Schotte wordt een rolmodel, een apostel als het ware: “We hebben kampioenen nodig, echte kampioenen zoals Briek Schotte. We hebben mensen nodig die ijveren voor het apostolaat van de verheffing van ons sportvolk.”
Tegelijk moeten die kampioenen ook de massa positief beïnvloeden: “Gedraagt de renner zich voornaam, sportief, ridderlijk als een verfijnd mens, dan verricht hij apostolaat in de goede zin. Begaat de renner oneerlijkheden dan stelt hij zich onsportief aan, dan gaat er van hel een slechte invloed uit op de massa.”
We hebben mensen nodig die ijveren voor het apostolaat van de verheffing van ons sportvolk.
Om deze nieuwbakken ‘apostels’ met raad en daad bij te staan, wordt in het bisdom Brugge in 1946 voor het eerst een Sportaproost aangesteld. Michiel De Geeter, onderpastoor in de Sint-Jozefsparcohie in Roeselare moet – naast zijn job als onderpastoor – ook het wel en wee van de West-Vlaamse sportlui opvolgen, en in het bijzonder de wielrenners, dé sportmannen waar de man in de straat naar opkijkt.
Gemakkelijk blijkt die opgave in het begin niet te zijn: “Nooit was er een Sportaproost geweest en de komst van een priester werd in het milieu van beoefenaars en supporters niet overal met vreugde onthaald”, zo staat te lezen in een terugblik op het priesterschap van Michiel De Geeter.
Aalmoezenier De Geeter probeert via diverse kanalen sporters (en meteen ook hun supporters) te bereiken: via een jaarlijkse bedevaart (vanaf 1949) maar ook door ‘sportavonden’. Gesteund door een schare Sporta-getrouwen organiseert De Geeter doorheen de provincie praatavonden waarbij het publiek kan kennis maken met de werking van Sporta, en regionale wielergoden en andere sportvedetten: “renners, boksers of atleten samen met een spreker-interviewer die uit monde van de ‘vedetten’ levenslessen debiteerden: manier van trainen én manier van leven, fair play in het spel en fair play in het leven... Het publiek had schone mensen leren kennen, maar had tevens volksverheffing en volksveredeling meegemaakt!”
In Roeselare kon De Geeter voor zijn sportavonden rekenen op de steun van lokale renners Valère Ollivier, Albert Sercu, Maurice Blomme, Flander Janssens, André Declerck en Jerome Renier, allemaal onder dak bij de Bertinploeg: “Zij waren vaandeldragers én publiekstrekkers.”
In het voorseizoen worden vanaf de jaren vijftig ook lessenreeksen voor renners ingericht. In deze zogenaamde ‘Sporta-scholen’ – voortbordurend op het idee van pater Van Clé om op zondag les te geven aan de laaggeschoolde renners – krijgen leerling-renners onderricht in uiteenlopende onderwerpen als fietstechniek, training, voeding, de gevaren van doping, goed voorkomen,... tot en met het onder de knie krijgen van het Frans.
Lokale oud-renners staan samen met dokters, journalisten en andere deskundigen – ook priesters – geheel vrijwillig in voor de lessen. Op die manier worden renners ‘opgevoed’ tot voorbeeld-parochianen voor de rest van de geloofsgemeenschap, supporters incluis én krijgen ze tegelijk waardevolle tips op het gebied van training en hygiëne.
‘Het publiek eist meer en meer waar voor zijn geld’ is ook één der redenen van de doping!
Met de Sportascholen wordt voor het eerst op grote schaal werk gemaakt van het opleiden en vormen van renners, en niet alleen op geestelijk gebied. Tot dan toe waren renners (in wording) vooral aangewezen op zichzelf. In Waregem stellen de lokale paters oblaten – die missiewerken als voornaamste opdracht hebben – graag hun kloosterdeuren open voor de leerlingen en leraars van de lokale Sporta-school.
Na de aanstelling van Jozef Lommez – in zijn jonge jaren zelf actief als sporter – tot Sportaproost in 1954 openen ook in Gits en Brugge Sportascholen. Op initiatief van Lommez krijgen de lessen in de vanaf 1962 een terugblik in Sportadel, een soort jaarboek met wetenswaardigheden.
Al in 1963 valt daar een erg revolutionaire stelling te lezen. De Zwevegemse sportdokter Albert Tampere schrijft in de medische rubriek ‘geneeskundige adviezen’ onder het luikje doping: “over de producten zij U allemaal reeds goed op de hoogte. Ik zelf ben voorstander, in de huidige eeuw van misbruiken, van een gekontrollerde (sic) doping, d.w.z. onder leiding van een bevoegd persoon, slechts occassioneel toegepaste en dan nog op een volwassen persoon. ‘Het publiek eist meer en meer waar voor zijn geld’ is ook één der redenen van de doping!” Baanbrekend en controversieel tegelijk.
Wielrenners en boksers dragen de grootste belangstelling weg van Sportaproost Lommez “omdat hij wist dat de meesten onder hen uit de minstbegunstigde klassen van de bevolking kwamen en dat de gevaren voor het leven voor hen des te groter waren.” Net als voor zijn aanstelling is Lommez vaak te zien op sportmanifestaties, een uitzondering in die dagen: “In het begin werd hij op vele plaatsen zelfs met een slecht oog bekeken en niet zelden werd er gefluisterd wat die paster hier komt doen.”
Iets gelijkaardigs ervaart ook pastoor Hubert Lahousse einde de jaren vijftig. Lahousse is dan pas aangesteld tot onderpastoor in Gullegem en laat profrenner Oswald Declercq zich in zijn huis omkleden voor de start van een koers. Beide mannen kennen elkaar nog van in de periode waarin Lahousse onderpastoor was in Gits, woonplaats van Declercq. Van dan af kijkt niemand in Gullegem nog vreemd op als de pastoor langs de kant van weg naar de koers kijkt of op het voetbalplein opduikt.
In het begin werd hij op vele plaatsen zelfs met een slecht oog bekeken en niet zelden werd er gefluisterd wat die paster hier komt doen.
Integendeel, korte tijd later ligt Lahousse mee aan de basis van de oprichting van SK Gullegem, de lokale voetbalclub en zetelt hij in het bestuur van het ‘Gullegemse Sportkomitee’, dat diverse wielerwedstrijden inricht. In 1964 vraagt bisschop Desmedt aan Lahousse om Sportaproost te worden, in opvolging van Jozef Lommez.
Volgens Lahousse gaf de bisschop hem één duidelijke opdracht mee: zoek ze [de renners, nvdr.] op. Wat de nieuwbakken Sportaproost ook – en met graagte – doet. Voor Lahousse was ‘de koers’ ook het perfecte terrein om mensen te ontmoeten: “op een voetbalmatch kan je veel minder mensen ontmoeten omdat iedereen ononderbroken naar het veld kijkt. Het was niet enkel omdat ik een boontje voor wielrennen had”, zo liet de supporter in soutane in een later interview optekenen.
De jaarlijkse Sportabedevaart – in West-Vlaanderen een traditie sinds 1943 – is van in het begin een aandachtspunt voor provinciaal proost Lahousse. In 1964 telt gastgemeente Dadizele zo’n 40 bedevaarders, nagenoeg allemaal wielrenners.
Lahousse ziet het grootser en ruimer. Hij kent de bedevaart een nieuwe datum toe en verplaatst die naar de week voor de traditionele clubkampioenschappen en 14 dagen voor Omloop Het Volk, de eerste profkoers op eigen bodem. De Sint-Michielskerk in het centraal gelegen en wielerminnende Roeselare wordt vanaf 1968 vaste stek voor de jaarlijkse Sportabedevaart.
Lahousse slaagt er in om de bedevaarten te laten uitgroeien tot heuse publieke gebeurtenissen, met tot meer dan vijfhonderd aanwezigen in en rond de kerk. Sporters worden beloond met een door de bisschop gezegend medaillon. Alle kerkgangers krijgen een gedachtenisprentje van sportlui, overleden in het voorbije jaar en na de viering worden alle fietsen in de straat voor de kerk opgesteld en gezegend.
Van een pure bedevaart – met een al biddende en zingende rondgang met paternoster in de hand – evolueert de jaarlijkse bijeenkomst naar een “Sportief-Religieuze hoogdag van de Seizoensaanvang, een appel voor de start van het nieuwe seizoen”, zoals Lahousse het zelf verwoordde in zijn overzichtswerk Sporta-bedevaarten in West-Vlaanderen.
Ook na de jaarlijkse zegening bij aanvang van het seizoen, houden renners contact met Lahousse. Dat de proost op zowat iedere koers terug te vinden is, is een voordeel. Maar Lahousse gaat zijn koersende parochianen ook thuis opzoeken, of wordt zelf door renners thuis opgezocht voor uiteenlopende zaken: van niet-uitbetaalde lonen over familiale problemen tot het bieden van troost bij het plots overlijden van een geliefde.
Lahousse wordt al snel een vertrouweling en vriend van vele West-Vlaamse renners en krijgt vaak het verzoek om huwelijken in te zegenen of kinderen te dopen. Samen met onder meer de populaire Jean-Pierre Monseré uit Roeselare trekt hij op ouderen- en ziekenbezoek, iets waar in de pers wel eens wordt mee uitgepakt.
Wereldkampioen Monseré wordt in Sportadel in 1971 ook nog eens bejubeld als een nieuwe Briek Schotte. Niet alleen omwille van zijn intrinsieke klasse, maar ook en vooral omwille van zijn voorbeeldfunctie. In zijn voorwoord onder de titel ‘Sport is een zegen voor het volk’ schrijft bisschop De Smedt: “Je hebt thuis een foto die u dierbaar is. We staan er samen op terwijl ik u fiets zegen [tijdens de jaarlijkse Sportabedevaart, nvdr.].”
Jean-Pierre Monseré heeft het waarschijnlijk nooit zelf geweten, hoe diep hij bij de ‘Sportmensen’ in het hart stak. Het zou hem deugd gedaan hebben maar hij zou het schijnbaar-onverschillig afgewimpeld hebben.
Sport (wielrennen) zorgt er volgens de bisschop voor dat sympathisanten en supporters zich broederlijk verenigen rond hun favoriet, Monseré in dit geval: “Gij zijt sedert zondag hiervan getuige geweest. Ge zijt zelfs in uw dakgoot moeten kruipen. Maar om al dat plezier en deze gezonde ontspanning aan uw medemensen te bezorgen, moet de sportbeoefenaar van zichzelf veel eisen, sober en voorzichtig leven, regelmatig en intensief trainen. [...] Ik beschouw U en uw collega’s als verdienstelijke mensen. De sport is een weldaad voor het volk”, aldus de bisschop.
Eén jaar later moet Mgr. De Smedt de 22-jarige wereldkampioen na een smartelijk ongeval echter al begraven. De Smedt leidt samen met Lahousse de uitvaart van Monseré in de Sint-Michielskerk. In Sportadel 1972 komt hij uitgebreid terug op het onverwachte overlijden van Jempi: “Jean-Pierre Monseré heeft het waarschijnlijk nooit zelf geweten, hoe diep hij bij de ‘Sportmensen’ in het hart stak. Het zou hem deugd gedaan hebben maar hij zou het schijnbaar-onverschillig afgewimpeld hebben.”
De bisschop tekent ook jaarlijks present op de Sportabedevaart, die tot diep in de jaren zeventig een massa volk op de been brengt. Naast renners nodigt Lahousse bewust ook steeds nadrukkelijker beoefenaars van andere sporttakken uit: motocrossers, atleten, boogschutters,... Samen met de groeiende groep wielertoeristen zorgen zij voor een massa van om en bij de duizend mensen.
Hubert Lahousse wordt meer dan ooit een publiek figuur – dat hij heel vaak samen met de winnaar op de foto poseert, werkt alleen maar versterkend – die met de regelmaat van de klok aan de tand wordt gevoeld in de pers. Journalisten omschrijven hem als “DE vriend van de coureurs. ’s Morgens is hij aan de start om moed te scheppen en ’s avonds aan de aankomst om de vreugde of het leed te delen van zijn fietsende schaapjes.”
Ook de oud-renners krijgen zijn aandacht. Onder impuls van Lucien Vlaemynck wordt een jaarlijkse bijeenkomst van oud-renners in West-Vlaanderen georganiseerd. ‘Café De Wildeman’ van Roger ‘Cockske’ Decock in Tielt wordt de eerste uitvalsbasis.
Na het afscheid van Lahousse in 1987 gooit Antoon Stragier – aalmoezenier op de luchtmachtbasis in Koksijde – het over een andere boeg. Samen met een 15-tal medewerkers (geestelijken én leken) wil hij zo veel mogelijk sporttakken bereiken. Priester Ludo Lepee krijgt de wielrenners onder zijn hoede, scheidsrechter Marc Rommelaere de voetballers, priester Freddy Malfait de boksers en andere gevechtssporters,... Stragier zelf gaat van start met ‘sportzondagen’, waarop hij alle sportverenigingen in één parochie in hun lokale kerk samenriep.
De verruimingsoperatie onder leiding van Stragier raakt niet echt van de grond. De maatschappelijke geest is al lang niet meer die van kort na de Tweede Wereldoorlog en steeds meer renners bevinden zich al vroeg op het jaar op buitenlandse wegen. De jaarlijkse bedevaart verhuist van de Sint-Michielskerk naar de iets verderop gelegen Sint-Godelievekerk, nog steeds grondgebied Roeselare.
Anno 2016 is de huidige Sportawerking in West-Vlaanderen in niets meer te vergelijken met de begindagen. De Sportabedevaart wordt nog steeds jaarlijks georganiseerd, maar staat al een tijdje los van de reguliere (nationale) Sportawerking, dat nu de organisatie van sportkampen, promotie van sport en belangenverdediging van sportlui als voornaamste doel heeft.
Nu is vooral de herdenking van de overleden sportlui de sterkte van de bedevaart.
De Sint-Godelievekerk in Roeselare telt tijdens de bedevaart nog een goeie 200 aanwezigen, waarbij vooral lokale jeugdrenners en wielertoeristen de dienst uit maken. Tot voor een paar jaar maakte KSV Deerlijk – de grootste opleidingsclub uit de streek – er een gewoonte van om met de fiets naar Roeselare te komen, als veredelde trainingsrit. Bij de fietsenzegening buiten de kerk staat geen enkele profrenner meer opgesteld. Op een aantal oud-profrenners na is de vertegenwoordiging van beroepssporters laag.
Huidig Sportaproost Ludo Lepee – zelf al van jongsaf wielerfan en wielertoerist: “ik fiets elke dag 33 km, de leeftijd van mijn baas” – is realistisch: “Nu is vooral de herdenking van de overleden sportlui de sterkte van de bedevaart. Samen met een aantal medewerkers schrijven we elk jaar de families aan en nodigen we hen uit op de bedevaart.”
Sinds 2013 wordt jaarlijks ook een sporter en/of sportorganisatie beloond met een erkentelijkheidsprijs. En na de viering kan elke aanwezige nog steeds een medaillon en/of sticker meenemen, die hen de nodige bescherming moet bieden tijdens het lange, niet altijd gevarenvrije sportseizoen.
Met dank aan Sonny Descamps, Kathelijn Vlaemynck, Ludo Lepee, Antoon Stragier, Paula Blomme en Marc Fourneau.
Dit artikel verscheen eerder in Etappe #05 (2016).
Dit nummer staat in het teken van de 100ste editie van de Ronde van Vlaanderen, het 45-jarig overlijden van wielergod Jean-Pierre Monseré en de tentoonstelling 'Koers is Religie'. Je ontdekt onder meer een fiets van Fiorenzo Magni, een ode aan Frank Vandenbroucke en de roots van de kermiskoers.
Zin in meer historische wielerverhalen? Haast je naar onze shop!
Na zijn middelbaar onderwijs bij de Paters Redemptoristen in Beveren, treed Jerôme Van Landeghem (°1924) in 1943 zelf toe tot deze orde. Als...
