longread
retro

Oen de Nord. De vergane wielercafés in de Brusselse Noordwijk

door Mike Carremans & Johan Van Win op 16 mei 2022
Wie vandaag de dag het station van Brussel-Noord uitstapt en zich naar het Rogierplein begeeft kan zich, omgeven door de zee van glas en beton, nog maar moeilijk voorstellen hoe levendig het Brusselse uitgaansleven hier, in de schaduw van de Martinitoren, midden vorige eeuw was. Gelegen op een steenworp van de velodroom van Schaarbeek, en met het Noordstation als vertrek -en aankomstpunt voor vele binnen -en buitenlandse renners zagen verschillende renners en oud-renners wel brood in dit cliënteel te voorzien van kost, onderdak en niet te vergeten glazen boterhammen.
Wilde dannsse, kunde zwanze door de strotche on de Noord Woe da 'd de maskes, in ghloeze kaskes, wachte op ne milord

Tussen de rode gloed van de neons in de Vooruitgangstraat ligt er een gele uitschieter, namelijk die van de Tourwinnaar van 1935: Romain Maes. Daar staat hij achter de toog van zijn café ‘In De Gele Trui’. Of het nu is voor een tomate crevette van 45 Fr of de uitslag van Parijs-Brussel, die ene klassieker die hij niet op zijn palmares kon zetten, je kan ervoor terecht bij Romain. De man, die als jonge renner regelmatig het verwijt krijgt als een bon vivant te leven, maakt het nu zelf zijn klanten naar hun zin. Met ‘Au Maillot Jaune’ plaatst Maes zich in de traditie van zovele renners die na hun carrière een café openen. Iets wat in dit Brussels quartier zijn intrede kent wanneer een andere uitgeweken West-Vlaming, Miel Abeele, beter gekend als Roste Kegel, zich vestigt in de Rue Rérézo.

Zérézo 44, Au bien être

Op 15 december 1870 ziet de kleine Miel Gustave Abeele het levenslicht in Veurne, hartje Westhoek. Op het moment dat Cyriel Van Hauwaert en consoorten zich begin 20ste eeuw op gang trekken en de beroepswielrennerij ontdekken op de Franse wegen, reist Abeele in hun zog mee als manusje-van-alles. Zonder gedegen kennis van de menselijke anatomie, maar met een stevige portie lef beginnen sommige van deze valiezendragers ook rennersbenen te masseren. Een aantal van hen scholen zich effectief bij, terwijl andere ‘soigneurs’ blijven zweren bij kneden en het aanbrengen van klevende, brandende zalf. Abeele verkent de wielerwereld en klust tegelijk bij in hotels aan de kust en in het Brusselse.

Als na de opening van de velodroom in Brussel in 1913 steeds meer renners naar Brussel afzakken, ruikt Abeele zijn kans. Hij weet als geen ander dat renners het liefst met soortgenoten samenhokken op betrouwbare adressen waar de uitbater weet wat sportlui zoal eten, wanneer en hoeveel. Hotels zijn dat moment nog oorden die er enkel op gericht zijn om de gegoede klasse in onmetelijke luxe te laten baden, en dus onbetaalbaar voor gewone renners. Pensions zijn de goedkopere optie, maar daarin kan de kwaliteit van de slaapgelegenheden erg variëren van kraaknette familiebedrijfjes tot erbarmelijke kruipkoten met weinig of geen sanitaire voorzieningen. En dus ziet de intussen uitgeweken West-Vlaming een gat in de markt.

Net voor de Eerste Wereldoorlog opent hij zijn ‘Au Bien Être’ in de Rue Zérézo 44, middenin de Brusselse rosse buurt, tussen befaamde bordelen zoals de Chat Noir en Le Pélican. Klanten worden ontvangen bij ‘Bij Emile De Veurnaare’. Later prijkt op de zijgeval van een vernieuwd ‘Au Bien Être’ ook in het groot ‘Roste Kegel’, een bijnaam die hij te danken heeft aan zijn rode haardos en Karel Van Wijnendaele, dankzij wie hij onder dit pseudoniem bijdrages levert aan Sportwereld. Dat Rostes zaak in de Brusselse rosse buurt ligt is duidelijk, want de kamers die hij ter beschikking stelt kunnen per uur gehuurd worden. Renners zijn vaak de enige uitzondering die ze gebruiken om te overnachten.

Miel en zijn vrouw houden samen de zaak open en delen ter promotie kaartjes uit, overdag op de velodroom aan de Jerusalemstraat, ’s avonds aan het Noordstation. ‘Au Bien Être’ wordt al snel de vaste stek voor menig West-Vlaams renner. Het zakelijke inzicht van Miel Abeele blijft niet onopgemerkt en vindt bijzondere bijval in het Brusselse wielermilieu. Zo ontstaan er in het zog van ‘Au Bien Être’ verschillende horecazaken in de Noordwijk die worden uitgebaat door (ex-)renners.

Café-Hotel-Restaurant Piet Van Kempen

Op 9 november 1918 besluit de jonge Piet Van Kempen zijn dienst in het Nederlandse leger te ontvluchten, en springt op de fiets naar Brussel. Over het wielerleven bij de zuiderburen heeft hij veel goeds gehoord van in Nederland geïnterneerde Belgische soldaten die zelf ooit koersten. Eens in Brussel gevestigd huwt hij Fien Boogmans, zus van de pistiers René en Marcel Boogmans. De rennersfamilie helpt hem aan de start in zijn eerste zesdaagsen en vrouw Fientje managet de gokgrage Piet. Van Kempen, die een van de bestbetaalde pistiers van het interbellum is, bouwt zo een fortuin op.

De Nederlander stopt in 1939 met koersen, zijn laatste overwinning ligt dan al twee jaar achter hem. Samen met Fientje neemt hij vervolgens een hotel over dat niet zo ver van Abeele’s ‘Au Bien Être’ gelegen is. Een renner in blauw-wit-rode neon siert de gevel van ‘Hotel Café Restaurant Piet Van Kempen’ aan de Bolwerklaan 16. Het ligt rug aan rug met het latere Sheraton Hotel. Net zoals bij Miel Abeele wordt het een verblijfplaats voor renners en een ontmoetingsplek na grote sportmanifestaties. Vanachter de toog daagt hij een jonge Adelin Van Simaeys uit, die beweert dat moderne renners toch veelzijdiger zijn dan de generatie van Van Kempen. De oorlog belet dat de uitdaging uitgevoerd wordt. Van Kempen moet Duiste soldaten inkwartieren en fraudeert met inkwartieringsbewijzen. Ook floreert de zwarte handel in fietsonderdelen en voedingswaren bij Van Kempen.

Big Pete wordt Zwart Piet, maar die naam wordt gezuiverd wanneer na de oorlog blijkt dat Van Kempen Joodse families liet onderduiken in zijn Brusselse eigendommen. In 1951 laten Piet en Fien het hotel over en richten de onderneming PVK op, waarmee ze verschillende succesvolle vastgoedprojecten uit de grond stampten.

Au Maillot Jaune

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zet Maes een punt achter zijn carrière op de weg. De vetes die hij met naam -en streekgenoot Sylvère Maes had worden bijgelegd en samen brengen ze de oorlogsjaren op de piste door. De twee Tourwinnaars met dezelfde naam vormen samen een sterk merk. Wanneer hij zijn wielermaillot in 1944 definitief aan de haak hangt, volgt hij zijn kompaan terug richting de Gistelse heimat om daar zelf een café open te doen. In café Parijs-Brussel staat hij twee jaar glazen op te blinken alvorens richting Brussel te trekken.

In Brussel vestigt Maes zijn café ‘Au Maillot Jaune’ in de Vooruitgangstraat 43, vlakbij het Rogierplein. ‘Au Maillot Jaune’ wordt vooral een pleisterplaats voor West-Vlaamse wielerliefhebbers. Maar ook de vele miliciens die in Brussel hun overstap maken op de Duitse Verlofgangers Trein houden eerst nog halt bij Romain.

Romain Maes reed hier niet mee, die heeft in Brussel een café aan het Noordstation. Het is een beetje de traditie dat wie een grote ronde achter de rug heeft, een café begint...
Jos Ghysen radioverslaggever

Net zoals Roste Kegel en Piet Van Kempen verhuurt Maes ook kamers. Daarvan wordt gretig gebruik gemaakt door profs die hun trein moeten halen naar pistemeetings in Frankrijk, Duitsland, Zwitserland of buitenlandse rittenkoersen. Maes’ etablissement is ook vaak de plaats waar koersmateriaal enkele dagen op voorhand wordt gedeponeerd vooraleer op de trein naar het buitenland gezet te worden. Het Rogierplein dat vlakbij Maes’ café ligt vormt ook het vertrekpunt van verschillende wedstrijden. De formaliteiten hiervoor worden maar al te graag afgehandeld in de Maillot om vervolgens koers te zetten, naar waar ook te lande waar men een spektakel aanbiedt dat zowaar in het onbereikbare Brussel mag vertrekken. Enkel al om die reden zou het wel om een belangrijke koers moeten gaan, zelfs al deelt men maar een kleine stapel rugnummers uit.

Vaak is, voor zowel inrichters als renners, de trip belangrijker dan de wedstrijd. Dit soort koersen wordt wel nooit in het stadscentrum losgelaten, aangezien op dat moment de Brusselse verkeersdrukte al aanzienlijk is. Vaak vertrekt het peloton en cortège met enkele gemoustacheerde Brusselse zwaantjes op kop, afhankelijk van de eindbestemming richting Lambermontlaan, Tervuursesteenweg of Koekelberg. Om dit te faciliteren gebruikt Maes, zelf afkomstig uit Zerkegem, zijn Brusselse contacten. Vanaf de ochtend, wanneer de vroege vogels uit verafgelegen dorpen in hun mooiste pak neerstrijken tot aan de aftocht blijft het bier door de tapkraan lopen.

Café De La Campine

Enkele jaren na Romain Maes, in 1954, vestigt zich op enkele meters van zijn deur zich de Strombeekse pistier Nest Thyssen in het café ‘De La Campine’. Hij neemt het café over van een zekere Jules Deckx. Ten tijde van Deckx is dit café-hotel reeds bekend onder renners. Waar de Maillot vaak het trefpunt is voor wedstrijden richting Westen vertrokken bij De La Campine de koersen richting Kempen en Hageland. Thyssen zelf maakte vooral furore voor eigen publiek op de Schaarbeekse wintervelodroom, maar weet in 1951 toch een zesdaagse op zijn palmares te zetten: die van Saint-Etienne, aan de zijde van de Woluwenaar Robert Naeye.

Ook ‘De La Campine’ wordt een geliefde uitvalsbasis om fietsen op stal te zetten of materiaal te leveren alvorens de trein op te gaan. Maar het is niet enkel met de koers dat zowel Maes als Thyssen hun brood verdienen. Het gebeurt wel vaker dat bij Nest de gordijnen toegaan en gelijk met de cognac de kaarten bovengehaald worden, en er voor grof geld gespeeld wordt. Maes daarentegen breidt zijn handelsactiviteiten in de Noordwijk uit naar de andere kant van het spoor, alwaar hij enkele huizen met meisjes zou hebben…

Terwijl Maes in de weer blijft met het bedienen van zijn cliënteel verdwijnt het oude Brusselse Noordstation. ‘Au Maillot Jaune’ komt vanaf 1958 in de schaduw te liggen van de Martinitoren van de Brusselse architect Jacques Cuisinier, ook bekend van zijn Brusilia building in Schaarbeek, die exact op de plaats staat van de oude wintervelodroom. Weinig later laat Maes ‘Au Maillot Jaune’ over en betrekt een flat buiten het centrum van Groot-Bijgaarden.

De neergang van ‘Au Maillot Jaune’ start tegelijk met de leegloop van de Noordwijk en de betonwoede die zich reeds eind jaren vijftig in gang zet. Maes zelf blijft in Groot-Bijgaarden wonen en maakt in 1969 nog een comeback in de Brusselse horecabranche. Hij wordt gerant van een zaak op de Grote Markt die weliswaar niet langer verwijst naar zijn roemrijke wielerverleden.

Als Eddy Merckx zich tijdens de Tour dat jaar in het geel werkt, is Romain Maes de meest recente, nog in leven zijnde Belgische Tourwinnaar ─ Sylveer Maes is dan al drie jaar overleden. In die hoedanigheid is Maes een veelgevraagde gast voor interviews en draaft hij vaak op in de studio’s van de BRT. Zijn aanwezigheid bij de openbare omroep levert hem daar nog een job als bode op. De voormalige Maillot Jaune wordt uiteindelijk 71 jaar.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.