longread
interview

Mindaugas Goncaras: de Litouwse mecanicien van Sagan “In Litouwen trainden we tot 50.000 kilometer per jaar”

25min leestijd   door Tom Vandenbussche op 12 mei 2026
Op zijn 17de kwam Mindaugas Goncaras (50) voor het eerst in België koersen. Enkele jaren later vestigde de Litouwer zich definitief in ons land. Hij reed drie seizoenen bij de profs, werd na zijn carrière de persoonlijke mecanicien van Peter Sagan en woont al meer dan tien jaar in het West-Vlaamse Anzegem. “Soms was ik als tiener maanden weg van huis. Dan zei mijn moeder: als ik niets van jou hoor, is alles oké.”

Zijn jeugdjaren in Litouwen

Je hebt de Litouwse nationaliteit, maar bent geboren in Dobele, een stadje in Letland. Hoe komt dat?

“Dat komt omdat mijn ouders werk zochten in dezelfde stad. Op dat moment, in de jaren 70, was dat in Litouwen niet evident. In Dobele kregen ze een job en een appartement. Bovendien woonde een broer van mijn vader er al. Zij hebben daar dertien jaar gewoond. Mijn zus en ik zijn er geboren, maar toen ik een jaar of twee, drie oud was, zijn we naar Litouwen teruggekeerd.”

Litouwen en Letland maakten tijdens jouw jeugd nog deel uit van de toenmalige Sovjetunie. Hoe heb jij die periode beleefd?

“In Letland sprak men een andere taal, dus besefte ik dat er een verschil met Litouwen was. Maar sowieso sprak men ook overal in de Sovjetunie Russisch, terwijl iedereen toch zijn eigen nationaliteit had. Het voelde alsof we een land in een land waren.”

Hoe zag jouw jeugd in Litouwen eruit?

“Die was mooi. Wij beschikten zeker over veel minder mogelijkheden dan de kinderen hier in België, maar we hadden geen problemen. Wij wisten trouwens niet beter en waren tevreden met wat we hadden.”

Was je een sportief kind?

“Toch wel. Mijn vader en moeder wilden dat ik danste. Zij betaalden, dus moest ik lessen volgen. Maar in plaats van te gaan dansen, ging ik naar het zwembad. Een half jaar later, toen ik thuiskwam met een diploma van mijn eerste overwinning, zeiden mijn ouders dat het misschien toch goed was dat ik niet ging dansen. (glimlacht) Twee jaar ben ik blijven zwemmen, maar toen mijn coach vertrok, wilde ik bij niemand anders les volgen. En net op dat moment werd mijn fiets gestolen…”

Je was toen elf jaar.

(knikt) “Niet veel later vernam ik dat er een wedstrijd in de stad plaatsvond. Wie won, mocht deelnemen aan een koers over heel Litouwen. Wie die koers won, kreeg een fiets. Ik wilde die natuurlijk winnen, want ik had er geen meer. Helaas. Ik werd tweede in de koers in mijn eigen stad, dus heb ik die fiets nooit gewonnen. Maar ik had intussen wel mijn debuut als wielrenner gemaakt.”

En zo trad je in de voetsporen van je … mama.

“Inderdaad, al wist ik dat toen niet eens. Pas jaren later, toen ik al twintig was, begon ze me foto’s van vroeger te tonen, maar heel veel weet ik er niet meer over.”

Als je bij de besten van Litouwen was, kon je geselecteerd worden voor internationale koersen. Dat was het systeem in de Sovjetunie.
Mindaugas Goncaras

Hoe werkt het jeugdwielrennen in Litouwen?

“In mijn stad Utena waren er twee coaches. Kinderen moesten geen eigen fiets hebben. Als je wilde koersen, kon je dat aan hen laten weten. Zij maakten vervolgens een selectie, want er waren veel kinderen die zich kandidaat stelden. Ik wilde al een tijdje koersen, omdat enkele klasgenoten van mij dat deden. Maar ik was toen een beetje kleiner dan de rest, waardoor de coach zei dat het niet mocht. Pas toen ik in die wedstrijd als tweede finishte, liet hij me toe.

Eén probleem: hij had 40 coureurs, maar slechts 20 fietsen. De oplossing daarvoor was simpel: de training werd in twee groepen opgesplitst. Geregeld waren er wedstrijden in onze stad. De tien beste renners daarvan mochten mee naar grotere wedstrijden in ons land. En als je bij de besten van Litouwen was, kon je geselecteerd worden voor internationale koersen. Dat was het systeem in de Sovjetunie.”

Jij groeide op met Sergey Soukhoroutchenkov, olympisch wegkampioen in Moskou 1980, en Viatcheslav Ekimov. Waren zij idolen voor jou?

“Weet je, wij ontvingen eigenlijk heel weinig nieuws. Ja, er waren altijd kleine artikels met enkele foto’s over de Tour de France, maar daar bleef het bij. Wij knipten alles uit. Het was de tijd van Greg LeMond en Laurent Fignon. In de Sovjetunie waren we meer gefocust op de piste.

Baanwielrennen, dat was de olympische discipline waarin wij, Litouwers, sterk waren. Denk maar aan de twee broers Umaras (Gintautas en Mindaugas, red.) en Arturas Kasputis (nu ploegleider bij Decathlon CMA CGM Team, red.). Naar hen keek ik op. Op latere leeftijd reed ik enkele wedstrijden met hen en vandaag sta ik nog altijd in contact met hen.”

Wanneer besefte je dat je talent had om te fietsen?

“Ik heb nooit nagedacht over talent. Ik deed dat gewoon graag, koersen en trainen. Ik deed het voor mijn plezier. En zoals ik daarnet al vertelde: tijdens mijn jeugd wist ik amper iets over profwielrennen. Voor kinderen in Litouwen was er eigenlijk niet veel te doen, dus zocht iedereen naar iets wat een interessante hobby kon zijn. Bij mij was dat wielrennen.

Toen ik dertien was, vertrok ik naar het internaat van de sportschool in onze hoofdstad, Vilnius. Vanaf toen zag ik mijn moeder één keer per maand één dag. Soms was ik zelfs twee maanden weg en hoorden we elkaar de hele tijd niet. Dat was oké. Mijn moeder zei: als ik niets van jou hoor, is alles oké.”

Voor kinderen in Litouwen was er eigenlijk niet veel te doen, dus zocht iedereen naar iets wat een interessante hobby kon zijn. Bij mij was dat wielrennen.
Mindaugas Goncaras

Met welk materiaal koerste jij als jeugdrenner?

“In het begin reed ik met Russisch fietsmateriaal. De eerste goede fiets die ik kreeg, net voor het WK voor junioren in Griekenland, was van het merk Vitus. Ik was zo blij. Ook daarna heb ik nog een paar keer een fiets gekregen, maar nooit een nieuwe. Het was altijd een oude Pinarello of een ander merk. Ik ben daar eigenlijk nooit mee bezig geweest. Ik deed gewoon mijn uiterste best met het materiaal dat ik ter beschikking kreeg.”

Ik veronderstel dat je, met je huidige job als mecanicien, veel uit die periode geleerd hebt.

(knikt nadrukkelijk) “Toch wel. Vanaf mijn eerste jaar als wielrennen heeft onze coach altijd getoond hoe we iets moesten doen, zoals een band vervangen, tubes leggen... Vervolgens moesten we dat zelf kunnen.”

Hoe hard trainden jullie in Litouwen als jeugdrenners?

“Ik heb 22 jaar gefietst. Soms reed ik 50.000 km per jaar, zeker in mijn periode bij de ploeg van Klaipeda, in het begin van de jaren 90. Dat was niet normaal. Wij deden tot vier trainingen per dag: fietsen op de rollen, fietsen op de weg, een uur een soort van basketbal en ’s avonds ook nog 40 minuten zwemmen. Eén keer per week hadden we een rustdag. Toen moesten we slechts drie uur fietsen op de weg. In de winter gingen we soms tot drie uur lopen. Het was echt gekkenwerk als ik daar nu aan terugdenk. Het is ook de reden waarom ik nu nooit meer fiets. Het hoeft voor mij niet meer.”

Zijn verhuis naar wielerland België

Wanneer kwam je voor de eerste keer in België koersen?

“Dat moet in september 1993 geweest zijn. Ik was nog junior en samen met mijn ploegmaats uit Litouwen, die al eerstejaarsbelofte waren, kwamen we op het einde van het seizoen naar een huis in Wondelgem om enkele koersen in de streek te rijden. Eigenlijk mocht dat niet, maar ik had een militaire koersvereniging uit het Litouwse leger mee en werd niet goed gecontroleerd. Tot we op een dag wel op de vingers getikt werden en ik niet meer mocht starten. Waar dat was? (glimlacht) Dat herinner ik me niet meer.

Hoe werd jullie verblijf in Wondelgem geregeld?

“We maakten de verplaatsing vanuit Litouwen met een busje en bleven hier minstens een maand. Onze coach regelde alles. Tijdens die eerste periode in België, maakte ik kennis met een Vlaamse renner die Belgisch kampioen bij de junioren was: Dirk Daemers. We hadden een gemeenschappelijke link, want zijn grootmoeder was afkomstig van Oekraïne en sprak net als ik Russisch. Toen mijn Litouwse ploegmaats op het einde van het seizoen 1993 terugreisden, ben ik in België gebleven. De familie van Dirk liet me bij hen in Belzele logeren, in een caravan.”

Die eerste maand in België was niet je internationaal debuut, want in de zomer van 1992 werd je al geselecteerd voor het WK op de weg voor junioren in Griekenland. Welke herinneringen houd je daaraan over?

“De Baltic Sea Friendship Race in Finland was mijn eerste buitenlandse ervaring als wielrenner, maar dat WK kwam er erg onverwachts. Ik was pas eerstejaarsjunior en hoorde normaal niet bij de selectie. In Litouwen won ik echter het criteriumkampioenschap en werd ik tweede in een andere belangrijke wedstrijd, waarna de nationale coach plots zei dat ik mee mocht naar het WK. Ik moest direct vertrekken.

Ik heb mijn moeder gebeld en zei: maak maar iets klaar, want ik vertrek voor een paar maanden. We zijn eerst afgereisd naar Griekenland, waar we aan een rittenkoers van een week voor junioren deelnamen, en zijn daarna voor meer dan een maand op stage naar Bulgarije vertrokken. Op het WK reed ik zowel de weg- als ploegentijdrit. We hadden geen ervaring en waren veel te gestresseerd. Dat WK was een koers vol miserie. Wij waren amateurs. Echte amateurs.”

Ik weet niet hoe hij was in zijn topperiode, maar in zijn laatste jaren, toen hij koerste bij Palmans, was hij zo’n simpele en gewone persoon om mee te koersen, zelfs in die kleine wedstrijden.

Weet je nog wie er op het WK-podium stond?

(knikt) “Frank Vandenbroucke (die brons behaalde, de Italiaan Giuseppe Palumbo won voor zijn landgenoot Pasquale Santoro, red.).”

Twaalf jaar later stond je zelf naast VDB op het podium: als derde in de Grote Prijs Marcel Kint ...

“… in Zwevegem. Frank Vandenbroucke was een figuur. Een naam. Maar op dat moment, in 1992, was hij ook gewoon een renner van 17 of 18 jaar. Ik weet niet hoe hij was in zijn topperiode, maar in zijn laatste jaren, toen hij koerste bij Palmans, was hij zo’n simpele en gewone persoon om mee te koersen, zelfs in die kleine wedstrijden. Ik was een amateurwielrenner, maar hij had altijd respect voor iedereen. Dat vond ik echt chic. Ik had veel respect voor hem.”

De eerste uitslag van jou in België die ik terugvond, is een derde plaats in de veldrit in Gijzenzele op 6 november 1993, achter Nico De Boever en Rudy Vertriest. Hoe heb je cyclocross leren kennen?

“Toen ik na die eerste maand in België bij de familie van Dirk Daemers in Belzele kon verblijven, heb ik tijdens de wintermaanden overdag gewerkt als voeger en ging ik ’s avonds een beetje sporten. In het weekend nam ik deel aan veldritten. Pas na het WK in Koksijde, eind januari 1994, ben ik naar Litouwen teruggekeerd.”

Soms moest ik er alleen naartoe. Dan nam ik mijn rugzak, deed ik mijn helm aan en fietste ik 30 km naar de start. Na de koers reed ik dezelfde rit terug. Alleen.
Mindaugas Goncaras

Is cyclocross in Litouwen een sport?

“Zeker, maar uiteraard niet zoals hier in België. In Litouwen zijn er op het einde van het jaar ook veldritten in bossen, maar we reden die met dezelfde fiets als in wegwedstrijden. Techniek kwam er niet aan te pas. Fysiek was ik sterk genoeg, maar voor de Belgische veldritten was ik technisch niet goed genoeg. Een coach had mij dat kunnen leren, maar die had ik niet, anders zou het beter gegaan zijn. Ik werd bijvoorbeeld wel eens zevende in de cross in Asper-Gavere.”

Op het WK veldrijden in Koksijde werd je 49ste bij de junioren, op 6’04” van Gretienus Gommers.

“Ik startte in laatste positie. Als je helemaal achteraan moet starten in een peloton van 90 coureurs en toch als 49ste kan eindigen, dus heb ik het nog zo slecht niet gedaan. Mijn techniek was niet goed genoeg en ook met rijden door het zand had ik weinig ervaring.”

Weet je nog welke bekende namen in de top tien van dat WK eindigden?

(denkt even na) “Ben Berden was derde.”

Klopt. En wie werd vierde?

“Geen idee.”

Sven Nys. Miguel Martinez, die later olympisch kampioen op de mountainbike werd, eindigde als achtste. En nu zijn de zonen van Nys en Martinez, Thibau en Lenny, concurrenten bij de profs.

(duidelijk verrast) “Dat wist ik echt niet. Wij kwamen naar België en stonden ergens aan de start, maar we wisten zelfs niet waar we informatie over andere coureurs konden terugvinden. Mijn coach zei altijd waar we een koers gingen rijden. En soms moest ik er alleen naartoe. Dan nam ik mijn rugzak, deed ik mijn helm aan en fietste ik 30 km naar de start. Na de koers reed ik dezelfde rit terug. Alleen.”

Ik heb een aantal uitslagen van jou als amateurwielrenner in de jaren 1994 en 1995 in Belgische kermiskoersen bekeken en zag ook de namen van heel wat landgenoten van jou staan: Donatas Virbickas, Egidius Urbonavicius, Saulius Ruskys, Arturas Trumpauskas, Arvidas Bendoravicius, Darius Strole, Raimondas Rumsas zelfs… Weet je wat er van hen geworden is?

“Sommigen van hen zijn vroeg gestopt en naar Litouwen teruggekeerd. Urbonavicius leeft nu in Duitsland, dicht bij Stuttgart, en Trumpauskas vertoeft ergens in Frankrijk. Virbickas en Strole wonen net als ik in België: Virbickas met zijn vrouw en kinderen in Lochristi, Strole in Waregem.

Met Darius hebben mijn vrouw en ik nog veel contact. We spreken geregeld af, samen met Aidis Kruopis, ook een ex-profwielrenner (bij Orica-GreenEdge, Roompot en Vérandas Willems, red.) die wel een stuk jonger is dan ons. Ik begeleidde Aidis en zijn ploegmaats een tijdje bij het toenmalige Litubel toen ik zelf met koersen gestopt was. Hij woont nu in Ronse.”

Je wilde niet dat Kruopis hetzelfde als jou overkwam.

(knikt) “In 1996 reed ik voor de ploeg van Klaipeda, maar de training bij dat team was voor iedereen hetzelfde. Ik wist dat ik een andere motor had, dus verliep mijn recuperatie niet zo vlot als bij mijn ploeggenoten. Ik kon één of twee dagen goed presteren, maar daarna had ik het altijd moeilijk. Voor mij was het te veel. Op een bepaald moment was ik helemaal op, zowel mentaal als fysiek, en ben ik gestopt. Drie maanden heb ik niet gekoerst.

Op een of andere manier wilden enkele ploeggenoten ook weg bij die ploeg en hebben we ons in 1996 samen aangesloten bij een club in Zaffelare bij Lochristi. Het was een kleine ploeg, maar ideaal voor ons. Er was een plaats om te logeren en we konden het hele jaar door in Vlaanderen gekoerst. Af en toe keerde ik voor een week terug naar Litouwen en bezocht ik mijn familie. Zo hebben we het enkele jaren op dezelfde manier aangepakt.”

Wanneer ben je definitief in België komen wonen?

“Pas in 2000. Mijn vrouw en ik mogen William Van Puyenbroeck heel erg dankbaar zijn. Hij is enorm geïnteresseerd in de koers en vroeg ons op een bepaald moment of wij niet graag wat meer privacy wilden. Zo hebben we uiteindelijk een jaar of tien gewoond in een stal, die als appartement was ingericht. Tot op vandaag hebben wij een echt dicht contact met William en zijn vrouw Carina. We noemen hen onze Belgische ouders.”

Zijn bescheiden passage in het profpeloton

In augustus 1999 mocht je een profcontract ondertekenen bij Ipso-Euroclean. Ook in 2000, 2001 en 2002 was je prof bij Saint-Quentin-Oktos, Zetelhallen-Aluplast en RDM-Flanders. Dat waren niet de grootste teams.

(schudt het hoofd) “Ik heb me nooit prof gevoeld. Ik deed wat ik graag deed, maar als prof heb ik nooit geleefd. Ik had geen enkele opleiding gekregen. Elke Belg krijgt in zijn opvoeding de wielersport met de paplepel ingegeven. Je hoort het op televisie. In Litouwen weten mensen niets over wielrennen. Over voeding? Niets. Over tactiek? Niets. Als ik in België was opgegroeid, was ik misschien veel beter geworden dan wat ik nu heb gepresteerd.”

Is dat de reden waarom heel weinig Litouwse renners doorbreken?

“Ja, dat denk ik wel. Litouwen is een basketland. Op vlak van wielrennen is men niet professioneel genoeg bezig. De mensen die in Litouwen de beslissingen nemen, hebben te weinig ervaring en ze gebruiken niet de ervaring van mensen die daar wel over beschikken. Ik heb de Litouwse wielerbond geholpen op wereldkampioenschappen en tijdens de Olympische Spelen, maar daar ben ik nooit voor betaald. Ik nam mijn eigen materiaal om de coureurs te helpen. Dat is zo amateuristisch, terwijl ze denken dat ze veel voor de renners doen. In Litouwen is men in de jaren 90 blijven leven.”

Ik heb de Litouwse wielerbond geholpen op wereldkampioenschappen en tijdens de Olympische Spelen, maar daar ben ik nooit voor betaald. Ik nam mijn eigen materiaal om de coureurs te helpen. Dat is zo amateuristisch.
Mindaugas Goncaras

Je hebt één UCI-zege op jouw palmares staan: Dwars door Gendringen, een 1.4-koers in Nederland in 2001. Je reed weg uit een kopgroep van 20 renners met wijlen Ludo Dierckxsens, Jeroen Blijlevens en Aart Vierhouten. Hoe trots ben je op die overwinning?

“Een 1.4-wedstrijd toen kan je vergelijken met een 1.1-koers nu. Natuurlijk ben ik trots op die zege. De dag ervoor had ik ook gekoerst, maar toen voelde ik me niet zo goed en ben ik vroegtijdig afgestapt. Die avond ben ik frietjes gaan eten en heb ik bier gedronken. De dag erna had ik plots wel goeie benen. Al mijn ploegmaats gaven op, maar ik won.”

Je stond ook twee keer op het podium van het Litouws kampioenschap op de weg, maar kon nooit winnen. Een manco op jouw palmares?

“Ik heb nooit echt gefocust op mijn palmares. Hoeveel koersen ik gewonnen heb? Dat heb ik niet bijgehouden. Het waren er zeker meer dan honderd, maar ik heb al mijn trofeeën weggegeven. Alles. Ik weet wat ik heb gedaan en moet daar voor de rest niet meer aan herinnerd worden. Ik heb er veel plezier aan beleefd. Meer moet dat niet zijn.”

Ik heb ook eens jouw palmares in de Belgische kermiskoersen voor profs bekeken: twee zeges (in Stekene 2003 en in Kortemark 2005), tien tweede en negen derde plaatsen. Jij was een specialist van het kermiscircuit.

“Kermiskoersen lagen me enorm goed. Ik was er sterk genoeg voor en had een goed koersinzicht. In kermiskoersen waren er altijd zo’n vijf ploegen die in teamverband deelnamen. Ik keek naar de situatie, schatte de tegenstand in, keek wie er in de ontsnapping ging en sprong ernaartoe als er sterke renners van die vijf ploegen voorin zaten. Zo simpel kon het soms zijn. Eigenlijk waren dat gemakkelijke wedstrijden. Ook op vlak van training maakte ik stap voor stap vorderingen, puur op basis van zelfkennis en opgedane ervaringen.”

Kermiskoersen lagen me enorm goed. Ik was er sterk genoeg voor en had een goed koersinzicht.
Mindaugas Goncaras

Wat kan jij ons vertellen over het WK op de weg in Zolder in 2002, waar je beste Litouwer (88ste) werd?

“Dat wist ik zelfs niet, maar ik had een goeie voorbereiding gehad. Ik was pas op het laatste moment geselecteerd en had maar enkele weken tijd om me klaar te stomen. Dankzij RDM, waar ik pas in de zomer een contract tekende, kon ik nog enkele mooie koersen rijden.”

Terwijl Mario Cipollini, Robbie McEwen en Erik Zabel, die op het WK op het podium eindigden, zich in de grote koersen voorbereidden, moest jij je behelpen met de kermiskoersen in Vichte, Berlare, Aalter en Zele. Vertelt dat iets over de profcarrière van Mindaugas Goncaras?

(knikt) “Een perfecte voorbereiding was dat natuurlijk niet, maar ik moest proberen het best mogelijke eruit te halen. Soms reed ik met de fiets naar een kermiskoers en trainde ik na afloop nog drie uur bij. Ik miste ervaring in grote wedstrijden. In Zolder reed ik te veel vooraan, in de wind, een hele koers lang. Ik moest gewoon ergens verderop in het peloton zitten en proberen te wachten op de laatste ronde, alleen was er in de laatste ronde een grote valpartij en zat ik daar net achter.”

Als eliterenner zonder contract reed je nog jaren voor Team Jan Snel. Dat lijkt wel een naam uit een stripalbum.

(glimlacht) “Jan Snel was een ideale ploeg voor mij. Ik was samen met Danny Daelman, ook een ex-profrenner, de kopman. Voor mij was het de ideale situatie. Het was heel eenvoudig. Er waren elk jaar enkele belangrijke wedstrijden voor de ploeg en dat was het dan. Voor de rest mochten we ons ding doen.”

Zijn periode als mecanicien van Peter Sagan

In 2010 werd je mecanicien bij RadioShack, de ploeg van Johan Bruyneel en Lance Armstrong. Hoe ben je daar beland?

“2008 was mijn laatste seizoen als wielrenner en in 2009 werkte ik bij De Post en hielp ik enkele jonge landgenoten, onder wie Aidis Kruopis, bij de Litubel-ploeg. Op een bepaald moment werd ik gecontacteerd door Dag Van Elslande, die als ploegdokter bij RadioShack werkte. Ik kende Dirk Demol ook een beetje. Dokter Dag wist dat ik aan fietsen kon werken en mecanicien wilde worden.

RadioShack zocht er twee voor het nieuwe seizoen. Samen met twee Portugezen, die al langer in de koers actief waren, mocht ik naar de service course van de ploeg komen om een soort van test af te leggen. Julien De Vriese, één van de hoofdmecaniciens, keek toe hoe we het deden. Blijkbaar was het niet zo slecht, want hij besloot dat ik en één van de twee Portugezen een contract voor het seizoen 2010 kregen.”

Is jouw leven anders gelopen dan je had gedacht?

“Neen, het was geen verrassing dat ik mecanicien in een wielerploeg ben geworden. Al van jongs af was ik altijd bezig met mijn fiets in de garage. Voor mij was dat een hobby en als ik aan een fiets werk, kalmeer ik mezelf. Dan kom ik helemaal tot rust.”

Voor mij was dat een hobby en als ik aan een fiets werk, kalmeer ik mezelf. Dan kom ik helemaal tot rust.
Mindaugas Goncaras

Na vier jaar bij RadioShack ging je in 2015 werken voor Tinkoff, waar je Peter Sagan leerde kennen. Wat herinner je je van jullie eerste ontmoeting?

(grijnst) “Dat moment weet ik nog heel goed. Het gebeurde tijdens de Ronde van Qatar in het begin van dat jaar. Peter had een andere mecanicien, een Italiaan die met hem de overstap van Cannondale had gemaakt. Met de ploeg reden we eerst in Qatar en vervolgens reisden we door naar Oman. Dat waren heel harde wedstrijden voor mij.

Mijn collega sprak geen woord Engels en ik sprak geen woord Italiaans. Miserie troef! Het waren echt lange dagen. De andere mecanicien had bovendien nog nooit eerder gewerkt met fietsen waarmee je elektronisch kon schakelen, terwijl dat al een jaar of drie bestond en gebruikt werd.

Normaal gezien heb je in dat type wedstrijden twee mecaniciens per ploeg. De ene wast alle fietsen, alle auto’s en tankt, terwijl de andere de fietsen moet klaarmaken voor de dag erna. Peter was de leider van het team, dus was het logisch dat zijn mecanicien de fietsen moest voorbereiden. Voor mij was dat geen probleem, alleen kon de Italiaan niet werken met dat nieuwe systeem. Ik deed dus mijn werk en heb vervolgens ook de helft van de fietsen klaargemaakt. (grijnst)

Het waren drie harde weken, want daarnaast kreeg ik het ook eens aan de stok met de grote baas van de ploeg, Oleg Tinkov. Dat was een persoon waarover je een boek kon schrijven.”

Hoe was het contact met Sagan tijdens dat eerste jaar?

(schudt het hoofd) “Helemaal niet. Ik was altijd tot laat aan het werk en zocht nooit contact met een coureur. Toen hij eind 2016 naar Bora ging en mij vroeg om zijn mecanicien te worden, was dat een grote verrassing.”

Roubaix is een koers met zoveel stress. Dat Peter toen [2018] won, gaf me zoveel voldoening.
Mindaugas Goncaras

Hoe is dat in zijn werk gegaan?

“Er zijn binnen de Tinkoff-ploeg een aantal zaken gebeurd waardoor ik het team op het einde van 2015 moest verlaten. Het was al december, dus alle grote ploegen zaten vol voor 2016. Ik ben dan maar voor Israel, toen nog een kleine ploeg, beginnen te werken. Niet de leukste periode, maar ik heb er veel bijgeleerd over de organisatie binnen een wielerteam.

Toen ik tijdens de voorjaarsklassiekers in Vlaanderen thuis was, heb ik mijn vroegere collega’s van Tinkoff op een avond een bezoekje gebracht in het Parkhotel in Kortrijk. Dat was een ongelofelijk toffe groep met superfijne mensen, dus wilde ik graag nog eens een biertje met hen drinken.

Maar plots kwam de verzorger van Peter naar de bar en zei hij dat Peter me wilde spreken. Ik ging vervolgens naar zijn kamer, waar Peter me vroeg of ik het jaar erna, in 2017, met hem naar zijn nieuwe ploeg wilde gaan. Voor mij was dat een grote verrassing, want we hadden nog niet zo vaak met elkaar gesproken. We waren zeker geen vrienden. Eigenlijk weet ik niet waarom hij mij heeft gekozen.”

Heb je hem dat ooit gevraagd?

“Ja. Toen hij besloten had om naar Bora over te stappen, had zijn manager hem gevraagd wie hij wilde meenemen. Toen heeft hij mijn naam genoemd.”

Omdat je je werk goed deed, vermoed ik?

“Geen idee. Ik weet het niet. Je mag het vroegere leven van Peter niet onderschatten. Hij is een superlieve persoon en vriendelijk tegen iedereen. Dankbaar ook voor alles wat er voor hem wordt gedaan. Maar er waren veel mensen die voortdurend rond hem sprongen en tijd van hem vroegen. Hij koerste, maar daarnaast had hij zijn handen vol met marketing.

Ik liet hem dan ook liever zoveel mogelijk met rust. Soms hadden we maandenlang geen contact buiten de koers. Als ik met Peter sprak, ging het bijna altijd over het werk. Soms gebeurde het dat we na een wedstrijd wat tijd hadden en een half uurtje praatten over ons privéleven, maar het was niet zo dat we elke week contact hadden. Dat was nooit zo. Alleen de laatste jaren, toen Peter rustiger werd en zijn resultaten niet meer zo goed waren, had hij minder verplichtingen en konden we al eens vaker tijd met elkaar doorbrengen.”

De media-aandacht voor Peter Sagan leek in zijn topjaren zelfs verstikkend.

“Dat vind ik ook. Maar hij deed het gewoon. Ik vind dat hij nog meer had kunnen winnen, zeker als hij zich op dezelfde manier had kunnen verzorgen als andere toppers van zijn generatie, zoals Fabian Cancellara of Greg Van Avermaet. Die waren niet zo hard bezig met zaken die niets met wielrennen te maken hadden. Alleen had Peter zijn contract en dat moest gerespecteerd worden. Ik ben er zeker van dat er meer had ingezeten. Hij wilde graag wat van het leven genieten en hij kon moeilijk neen zeggen tegen anderen. Als iemand van de ploeg hem iets vroeg, was het oké voor hem. Als iemand een interview aanvroeg, was het ook oké. Die andere toppers waren daar veel strikter in.”

Welke prestatie van Sagan blijft jou het meest bij?

“Zijn zege in Parijs-Roubaix in 2018. Ik zat zelf niet in de volgauto, maar reed tijdens de wedstrijd van punt naar punt en miste enkele keren de passage van de renners. Ik kan het moeilijk uitleggen, maar Roubaix is een koers met zoveel stress. Dat Peter toen won, gaf me zoveel voldoening. Daarnaast blijft ook het wereldkampioenschap in Yorkshire in 2019 me bij. Peter had al drie regenboogtruien gewonnen, maar die dag was hij de beste van het hele deelnemersveld, alleen won hij niet.

Beschrijf Peter Sagan eens in één woord.

“Dat is een moeilijke. Zoiets kan ik niet doen met één woord, want hij is gewoon een kampioen in alles. Als renner en als persoon. Hij is dankbaar. Hij respecteert iedereen. Hij heeft een goed hart.”

Weet Peter Sagan iets over de wielercarrière van Mindaugas Goncaras?

“Ik denk het niet. Hij weet wel dat ik zelf ook gekoerst heb, maar ik denk niet dat hij ooit naar mijn resultaten heeft gekeken.”

Stel: ik vraag aan Sagan wat hij ons kan vertellen over jou. Wat zou hij zeggen?

“Dat ik een vriend van hem ben.”

Hij [Peter] is een superlieve persoon en vriendelijk tegen iedereen. Dankbaar ook voor alles wat er voor hem wordt gedaan.
Mindaugas Goncaras

Nadat hij in 2023 zijn wegcarrière beëindigde, bleef jij aan zijn zijde toen hij als mountainbiker naar de Olympische Spelen in Parijs wilde. Je was er zelfs bij toen hij in het Zuid-Amerikaanse Chili ging trainen.

“Misschien had hij toch nog naar de Olympische Spelen kunnen gaan. Ergens bleef die verwachting er wel. Maar eigenlijk deed Peter dat voor zijn plezier. Hij wilde zijn carrière eindigen op dezelfde manier waarop hij begonnen was. We wisten dat het niet gemakkelijk zou zijn. Na al die jaren was mountainbiken enorm veranderd en doorheen de jaren verlies je ook wat techniek. Kijk maar naar wat Mathieu van der Poel nu overkomt.”

Hoe vaak hoor je Sagan vandaag nog?

“Geregeld. Hij is als ambassadeur nog altijd betrokken bij Specialized en ik werk er voor het mountainbiketeam. Af en toe spreken we elkaar. Soms belt hij me of stuurt hij een bericht om iets over fietsen of wisselstukken te weten te komen en vraagt hij hoe met me gaat en waar ik momenteel vertoef. (lacht)

Zijn leven anno 2026

Hoe voelt het om na 15 jaar niet meer voor een wegploeg te werken?

“Sommige mecaniciens blijven 20 of 30 jaar voor dezelfde ploeg werken en trekken al die tijd naar dezelfde koersen. Voor mij was dat al routine geworden. De mountainbike geeft hij nu een beetje frisse lucht. Nieuw materiaal leren kennen, nieuwe plekken in de wereld, nieuwe koersen… Alles in de mountainbikesport is anders, want je bouwt ergens je werkplaats, blijft daar voor een hele week en verkent het parcours in detail. Bij Specialized gaat het er misschien zelfs professioneler aan toe dan in de wegploegen, toch zeker op vlak van materiaal.”

Stel: je mag alles van de voorbije 50 jaar opnieuw doen. Wat zou je anders aanpakken?

“Ik ben blij met alles wat ik heb meegemaakt en blij met wat ik gekregen heb. Akkoord, mits wat meer ervaring had ik enkele zaken anders kunnen aanpakken, maar nogmaals, ik ben blij met hoe alles gelopen is.”

serviceKoers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.