In 1984 verkeerde Polen nog altijd stevig onder Sovjet invloed. Rode vlaggen wapperden boven grijze, betonnen gebouwen. Russische tanks stonden dreigend op pleinen. Winkelrekken waren half leeg. En de door de staat gecontroleerde media produceerden weinig meer dan propaganda.
Als tiener was Waldemar 'Waldek' Stephniowski zich bewust van de beperkingen van het leven in het Oostblok, maar trok zich er weinig van aan. "Ik deed mijn ding. Ik fietste en het maakte niet uit of er tanks op de weg stonden of niet. We hadden gewoon plezier aan het fietsen," herinnerde hij zich.
Maar met de jaren groeide het besef, en Waldek en zijn vrienden begonnen te dromen van verre landen, van een leven buiten het IJzeren Gordijn. "Ik denk dat ik dacht dat er meer voor me was dan dit land met haar grenzen overal," zei Waldek. "We mochten niet echt reizen. Het was echt een derde wereld Russisch regime, waar elke beweging die je maakt in de gaten werd gehouden."
Het communistische regime was waakzaam en veeleisend, hoewel Waldek’s talent op de fiets hem wel uitzonderingen leverde. Terwijl anderen opgeroepen werden voor het leger, kreeg Waldek op 19-jarige leeftijd een sport uniform en mocht hij Polen vertegenwoordigen op buitenlandse wedstrijden. Maar de schaduw van de dienstplicht hing boven hem. Het leger zou uiteindelijk toch wel komen.
Olympiërs die tijdens wedstrijden verdwenen, richting het westen gingen, en nooit meer terugkeerden.
Toen hij werd geselecteerd voor de Internationaler Gatterbauerfenster Rundfahrt in Oostenrijk in augustus 1984, zag hij dat niet als sportieve kans — maar als ontsnappingsroute. Ja, het was geweldig om deel uit te maken van zijn nationale ploeg, maar het was niet genoeg. "Ik wist dat er meer daarbuiten was… vrijheid," zei hij. "Ik had familie in de VS, en de dingen—de foto's—die ze stuurden, de vrijheid die ze vertegenwoordigden… het was gewoon een magnetisch gevoel, alsof ik dat moest ervaren. Ik moest gaan en het najagen."
Amerika was de grote droom, maar daar komen zou betekenen dat hij moest defecteren.
Waldek en zijn vrienden hadden de gefluisterde verhalen gehoord. Olympiërs die tijdens wedstrijden verdwenen, richting het westen gingen, en nooit meer terugkeerden.
"Het kwam voor, dus we wisten ervan," zei Waldek. "Het klonk als iets wat we ook wilden doen."
Ze hadden er misschien over gehoord. Maar ze wisten er weinig van. Dit was de jaren '80: lang voordat je naar Google kon voor antwoorden. En ze zouden zeker ook geen 'Hoe te Defecteren' handleiding vinden in de door de partij gecontroleerde bibliotheken. Er waren geen instructies, geen contacten: alleen geruchten en vastberadenheid. Ze vertelden hun wens dan ook aan niemand – niet aan hun ouders, niet aan vrienden, niet aan coaches. Waldek had geen idee wat de straf voor een mislukte vlucht zou zijn, maar hij wist zeker dat het meer zou zijn dan een tik op de vingers. "Waarschijnlijk het leger," zei hij.
In augustus 1984 reisde Waldek samen met zijn teamgenoten Robert Policht, Mirosław Pawłowski en Tadeusz Paweszka naar de Oostenrijkse etappekoers in Salzburg. Drie van hen wilden proberen te ontsnappen. De vierde, Tadeusz, niet. Hij had een vrouw en kind thuis, die hem aan Polen bonden. In die tijd betekende een grensovergang je tas leegmaken en elk item ter inspectie tonen. Wat ze mee mochten nemen was beperkt: wielerkleding, een teamtracksuit en een paar souvenirs – traditionele Poolse kristallen of porselein, bedoeld om te ruilen met buitenlandse renners.
Het was onmogelijk om wat extra geld of herinneringen van thuis te verbergen, en extra kleding pakken – bijvoorbeeld genoeg om de Oostenrijkse winter te overleven – zou zeker alarm hebben geslagen. Bovendien was er een regeringsafgevaardigde die de hele tijd aan het team hing, met het paspoort en de documenten van iedereen stevig in handen. Een systeem ontworpen om atleten te beroven van hun kans – of verleiding – om te deserteren. Maar als de jonge mannen enige zenuwen vertoonden bij de grensovergang, kon dat makkelijk afgedaan worden als stress voor de wedstrijd.
De koers begon. Eén rit, dan een tweede. Wat er die dagen gebeurde is de koers bijna vergeten. De aanvallen, de sprints, de strijd om het algemeen klassement vervaagden naar de achtergrond. Met elke finishlijn die werd gepasseerd, was er één dag minder om te ontsnappen. Maar ze hadden een plan. Een heel losjes en op vertrouwen gebaseerd plan, maar toch – een plan. Ze hadden gehoord van een vluchtelingenkamp in de buurt van Wenen: Traiskirchen, het grootste kamp van Oostenrijk, waar soms wel 4.000 mensen verbleven. Maar het was vijf uur rijden. En ze hadden geen voertuig, geen contacten, geen geld, geen woord Duits.
We konden de taal niet, maar slaagden erin duidelijk te maken dat we naar dat vluchtelingenkamp wilden.
Dus, voordat de tweede etappe begon, benaderden ze discreet een jong Oostenrijks stel, toeschouwers van de race. "We konden de taal niet, maar slaagden erin duidelijk te maken dat we naar dat vluchtelingenkamp wilden," vertelde Waldek. Ze boden alles aan wat ze hadden: porselein, kristal, hun Polska tracksuits. De snuisterijen bedoeld voor een vriendelijke ruil tussen atleten werden het betaalmiddel voor hun vrijheid. Misschien was het de urgentie in hun ogen. Misschien had het stel genoeg nieuwsbeelden van Oostblokdeserteurs gezien om te begrijpen wat er op het spel stond. Wat het ook was, ze begrepen het. En ze stemden toe. Het koppel begreep hen. En stemde toe.
Maar eerst: die paspoorten.
"Zonder paspoort ben je niemand," zei Waldek. "Hoe zou je kunnen bewijzen wie je bent? Of asiel aanvragen?" Toen de ploegleiding en de regeringsfunctionaris naar een verplichte koersvergadering vertrokken, grepen Waldek en zijn teamgenoten hun kans. Ze braken in in de kamer van de begeleider, hun hart bonzend alsof ze nog midden in de koers zaten, terwijl ze razendsnel de lades doorzochten. Zodra ze hun meest waardevolle bezittingen hadden gevonden, sprongen ze uit het raam en begonnen hun vlucht naar de vrijheid. Gekleed in spijkerbroeken en dunne jasjes konden ze net zo goed gewone jonge Oostenrijkers zijn, daar om de koers te bekijken. Ze liepen richting het afgesproken punt, en waren opgelucht toen ze het stel daar zagen staan – precies zoals beloofd, en verder niemand in zicht.
De drie volwassen mannen vouwden zich op de achterbank van een piepklein, oud autootje. De motor sloeg aan. Ze waren onderweg. Maar de rit was gespannen en zenuwslopend. Als ze gepakt werden, zou het voor iedereen problemen betekenen. Oostenrijk stond over het algemeen sympathiek tegenover mensen die hun vrijheid zochten, maar het helpen van vluchtelingen kon nog steeds worden gezien als een overtreding van de immigratiewet. Niemand zei een woord. Niet dat ze elkaar konden verstaan.
De tijd kroop voorbij. Op een gegeven moment sloeg de bestuurder van de hoofdweg af, reed een klein dorpje binnen en stopte bij een telefooncel. Muntjes gingen in het toestel, gevolgd door een fluisterend gesprek in onverstaanbaar gebrabbel. "We raakten in paniek," vertelde Waldek. "We dachten: ze bellen de politie."
Ze verstonden geen woord, konden het ook niet vragen. En terugkeren was geen optie. Die telefoontjes gebeurden meerdere keren. Telkens stapte de bestuurder weer in en reed verder, steeds westwaarts. Achteraf denkt Waldek dat het stel waarschijnlijk gewoon de weg probeerde te vragen en te voorkomen dat ze betrapt zouden worden op het smokkelen van vluchtelingen. Uiteindelijk bereikte de auto de top van een heuvel en stopte. Beneden, afgetekend tegen de nacht, lag een indrukwekkend bouwwerk — half kasteel, half militair complex. De bestuurder stapte uit, wees en zei: "Jullie bestemming. Het kamp."
Het Oostenrijkse stel durfde niet helemaal naar het kamp te rijden. Dus, onder de dekking van de avondduisternis, liepen de drie jonge mannen de rest van de weg en bereikten de poort met alleen de kleren op hun rug. "We wisten niet eens of dit de juiste plek was," zei Waldek. "Het zag eruit als een militair complex. Er stond een man met een geweer bij het checkpoint die alleen maar naar ons staarde, alsof hij vroeg: 'Wat willen jullie?'"
Ze hadden een belangrijk punt bereikt. Als ze geaccepteerd en door de poort gelaten werden, zouden ze onder internationale bescherming vallen, met de rechten van vluchtelingen en buiten het bereik van de Poolse autoriteiten. Maar aan deze kant van het hek bleven ze kwetsbaar. Als de politie hen nu zou onderscheppen, zouden ze worden vastgehouden, teruggestuurd, gestraft.
De drie vluchtelingen waren uitgeput, opgebrand door angst, onzekerheid en de obstakels die ze al hadden overwonnen om zover te komen. Maar de bewaker bleef onbewogen. Zonder communicatiemiddelen werden ze weggestuurd. Doodmoe strompelden ze naar een nabijgelegen treinstation en brachten de nacht door op de harde bankjes, bibberend van de kou, verscholen onder weggegooide kranten.
Net voor zonsopgang werden ze wakker van het geschreeuw, het gelach en het wankelen van een groep dronken mannen die van een nachtje uit in de stad terugkwamen. Het waren niet zomaar mannen; het waren andere Poolse vluchtelingen, die al papieren hadden die hen in en uit het kamp lieten gaan, en ze waren meer dan bereid om de jonge renners te helpen hun situatie te bepleiten bij de stoïcijnse bewaker. En deze keer kregen de drie nieuwkomers wel toegang. "Je komt binnen en je wilt een nieuw leven beginnen," zei Waldek. "Maar je hebt geen idee waar je naar binnen loopt."
De werkelijkheid sloeg hard toe voor de dromers. De eerste drie dagen in het vluchtelingenkamp werden in isolatie doorgebracht, afgescheiden van de rest van het complex terwijl de autoriteiten identiteiten bevestigden en achtergrondchecks uitvoerden. "Het enige wat we konden doen, was uit het raam staren en proberen te communiceren met andere Poolse immigranten, ergens twee verdiepingen lager. We riepen informatie naar elkaar heen en weer," herinnerde Waldek zich. "We kregen eten, maar hadden geen tv, niets. We zaten gewoon in die kamer. We wisten drie dagen lang niet wat er gaande was."
Op de derde dag riep een andere Poolse immigrant naar boven: de Poolse coaches waren langs geweest, op zoek naar hen. Toen meer dan de helft van het Poolse team ontbrak aan de startlijn van de etappekoers in Salzburg, werd al snel duidelijk wat er aan de hand was. Nieuwscamera’s doken erop. "Een van de jongens zei: ‘Maak je geen zorgen, je bent beroemd. We hebben je op tv gezien!’" vertelde Waldek. "Dat hielp een beetje. De mensen in het kamp wisten toen al wie we waren." Geen criminelen maar drie jonge mannen die hun land ontvlucht waren, op zoek naar een nieuw leven, weg van de politieke onderdrukking.
Het leven in het kamp... dat was waarschijnlijk mijn diepste dal ooit. Je begint te drinken, en je wordt omringd door zoveel ellende, zoveel drama, dat je vanzelf in die collectieve depressie meegezogen wordt.
Nadat hun identiteit was bevestigd, mochten Waldek, Robert en Miroslaw eindelijk uit isolatie, en voegden ze zich bij de algemene bevolking van het kamp – een wereld op zichzelf. Als ze ooit even hadden nagedacht over hoe het leven van een vluchteling eruit zou zien, dan was dit in elk geval niet wat ze zich hadden voorgesteld. Hun nieuwe werkelijkheid bestond uit een overvolle, rommelige slaapzaal: twintig mannen in één ruimte, drie verdiepingen hoge stapelbedden tegen de muren. Vechtpartijen braken vaak uit, en kleine criminaliteit was wijdverspreid.
"Het was niet de beste omgeving voor jongeren," gaf Waldek toe. "Je kwam mensen uit alle lagen van de bevolking tegen." De bewoners van het kamp weerspiegelde de onrust van het Koude Oorlog Europa: Hongaren die vluchtten van Sovjet-vergelding, Joegoslaven die ontsnapten aan de langzame ineenstorting van hun federatie, Roemenen die werden verdreven door Ceaușescu’s brute regime.
De renners leerden zelfs iemand kennen die samen met een paar anderen een luchtballon had gebouwd, waarmee ze in het holst van de nacht over de bergen van Tsjecho-Slowakije naar Oostenrijk waren gevaren. Maar asiel aanvragen was een lang, langzaam en uitputtend proces. Maanden of zelfs jaren konden voorbijgaan terwijl papierwerk werd verwerkt, sponsors werden gevonden en gastlanden beslisten of ze je wilden opnemen.
"Het leven in het kamp... dat was waarschijnlijk mijn diepste dal ooit," zei Waldek openhartig. "Je begint te drinken, en je wordt omringd door zoveel ellende, zoveel drama, dat je vanzelf in die collectieve depressie meegezogen wordt." Wat hem op de been hield, was het dagelijkse ritueel van zijn boterhammetjes inpakken en de straat oversteken, waar Oostenrijkse boeren en bouwploegen op zoek waren naar goedkope arbeidskrachten die bereid waren tot zwartwerk. Het beetje geld dat ze daarmee verdienden, ging grotendeels op aan telefoontjes naar huis en pogingen om hulp te zoeken voor hun asielaanvraag.
Maar je bent wanhopig. Je probeert gewoon iemand te bereiken. Het was een noodkreet: help me, ik móét hier weg. Dit kamp breekt me.
Pas toen Waldek zijn eerste paar Oostenrijkse schillingen had verdiend, kon hij naar huis bellen. Tegen die tijd hadden zijn ouders al gehoord wat er was gebeurd. Ambtenaren waren langsgekomen met verhulde dreigementen en valse beweringen dat de renners hun racefietsen hadden gestolen, die staatsbezit waren. Maar zodra een van de coaches met de waarheid naar buiten kwam, lieten de autoriteiten de families met rust.
Toch vloeiden er veel tranen. Zijn moeder was kapot met zorgen, verteerd door het onbekende en de angst haar zoon nooit meer te zien. Zijn vader daarentegen zag de zaken anders. Zijn kant van de familie woonde al in de Verenigde Staten, en hij zag de weg vooruit. Waldek leunde zwaar op zijn familieleden in de VS om het asielproces te versnellen. Zij konden als sponsor optreden en misschien zelfs helpen sponsoren te vinden voor Robert en Miroslaw. Maar communicatie was moeilijk, kostbaar en traag.
Gelukkig kende Waldek iemand in het kamp met een onconventionele oplossing. "Die kerel was niet helemaal koosjer," zei Waldek lachend. "Hij was de jongen die nooit het kamp verliet omdat ze hem niet lieten gaan." Laat in de nacht sloop de groep mannen de wijngaarden in met een rol kabel, een telefoonachtig apparaat en een kabeldoos. Ze tapten een telefoonlijn af, strekten het snoer zo’n vijftien meter uit en begonnen te bellen. "Het was zó illegaal. Echt gênant, maar ook doodeng, want we hadden in de gevangenis kunnen belanden," zei Waldek. "Maar je bent wanhopig. Je probeert gewoon iemand te bereiken. Wie dan ook. Het was een noodkreet: help me, ik móét hier weg. Dit kamp breekt me."
Waar ik vandaan kwam, waren de winkels gewoon leeg. De schappen waren kaal. Het enige wat je kon kopen, was wodka.
Maar hij vertelde zijn moeder niets van de duistere realiteiten van het vluchtelingenleven. Hij zei alleen wat ze moest horen: dat hij en de andere jongens genoeg te eten hadden, warme kleding ook, en af en toe wat werk. Genoeg zelfs om af en toe een klein zorgpakket naar huis te sturen. Wat bananen, wat chocolade – luxeartikelen om zijn moeder gerust te stellen dat het goed met hem ging. "Mensen kunnen het zich nu nauwelijks voorstellen, maar waar ik vandaan kwam, waren de winkels gewoon leeg. De schappen waren kaal. Het enige wat je kon kopen, was wodka," zei Waldek.
In vergelijking daarmee leken de Oostenrijkse supermarkten wel mirages. "Je ogen konden het niet bevatten: alles lag in de winkel. Zolang je geld had, kon je alles kopen," herinnerde Waldek zich. Elke winkeltrip gaf hem een glimp van hoop, een geruststelling dat ze dit voor een reden doorstonden. "Dat hielp echt om positief te blijven." Na acht lange maanden kwam het verlossende woord. Dankzij zijn familie kreeg Waldek asiel en mocht hij naar Longmont, Colorado, waar hij bij zijn neef zou wonen. Robert en Miroslaw mochten mee, gesponsord door mensen van een plaatselijke Lutherse kerk.
Op 27 maart 1985 landden Waldek, Miroslaw en Robert in de Verenigde Staten. Na een tussenstop op JFK in New York reisden ze door naar Colorado. Waldek’s hele wereld paste in één tasje: een jas, wat spulletjes en twintig Amerikaanse dollars. Ze spraken geen woord Engels, kenden niemand, en moesten hun leven weer opnieuw beginnen. Leven één was in Polen. Leven twee: het kamp. En nu een derde leven in Amerika. Hoewel ze pas twintig waren, droegen ze de vermoeidheid en levenservaring van mannen van veertig.
"Die eerste weken waren zeker niet wat ik me had voorgesteld," herinnert Waldek zich. "We dachten: we stappen uit het vliegtuig en de dollarbiljetten dwarrelen uit de lucht. Maar we kwamen er al snel achter dat je keihard moest werken om vier dollar per uur te verdienen." Waldek vond werk als automonteur, en dankzij donaties uit de lokale gemeenschap zat hij al snel weer op een racefiets.
"We hadden allemaal een baantje. We huurden samen een appartement. We trainden samen, reden samen," zei Waldek. Maar een vierde leven als professionele wielrenners zat er voor hen niet in. "We probeerden het wel – van categorie 4 naar 3, 2, 1. Maar zonder sponsor was het echt lastig. We hadden simpelweg het geld niet om telkens naar die koersen te reizen."
De fiets bepaalde altijd mijn volgende stap. Het is de drijvende kracht die me al deze kansen gaf, die deuren in het leven opende.
Uiteindelijk werd racen gewoon een passieproject, iets wat hij in het weekend deed, naast zijn werk. Tijdens een lokale koers ontmoette hij de Franse wielrenner James Collignon. James had grote plannen. Hij had zijn eigen droom om een professionele wielrenner te worden opgegeven, en wilde nu als soigneur voor de topteams van Europa werken. Daarvoor had hij wel een diploma nodig en had zich ingeschreven voor een massageschool in Tampa, Florida. Hij moedigde Waldek aan om mee te gaan maar Waldek weigerde. "Ik dacht dat ik het in Amerika helemaal gemaakt had. Ik had net mijn eerste appartement gekocht en had een mooie auto," zei Waldek. In werkelijkheid had hij niet de Amerikaanse droom gevonden – maar het Amerikaanse kredietstelsel.
Toen James zes maanden later terugkeerde en hier iets over zei, besloot Waldek het roer om te gooien. Hij verkocht zijn BMW en appartement, betaalde zijn schulden af en kocht "de enige auto op de sloop die ik me kon veroorloven." In een opgeknapte VW Rabbit pakte hij zijn leven in en reed naar Florida. James ging door met zijn plan, werkte uiteindelijk meer dan twintig jaar in de wielerwereld, als osteopaat en fysiotherapeut bij de grootste teams in de sport.
Waldek’s carrière volgde een soortgelijke koers. Na zijn diploma keerde hij terug naar Colorado, waar Eddy Borysiewicz, coach bij het Olympisch Trainingscentrum en ook een Poolse emigrant, hem aannam om met het nationale team te werken. Die eerste 'leerervaring' lanceerde een carrière van 33 jaar aan de top van het profwielrennen. Van het nationale baanprogramma tot Lance Armstrong’s U.S. Postal Service team, en het meest gedenkwaardige van allemaal, twee decennia leidinggeven aan het legendarische CLIF Bar-programma, het team van wereldkampioenen en Olympiërs zoals Georgia Gould, Catharine Pendrel en Katerina Nash.
Tegenwoordig lijkt zijn huis in Colorado wel op een wielermuseum. De muren en planken vol met herinneringen: regenboogtruien, Olympische accreditatiepassen, medailles die over lampen hangen, stapels rugnummers, vergeelde krantenknipsels, gesigneerde foto's, trofeeën en bedankjes van favoriete renners. Overal zie je sporen van een leven achter de schermen, een carrière waarin hij anderen hielp groots te worden.
Die jonge man die Amerika binnenkwam met slechts twintig dollar en een droom, slaagde er in om een belangrijke rol te spelen in de Amerikaanse wielersport. De Amerikaanse Droom? "Ja, we hebben zeker een stukje ervan ervaren," zei Waldek, terugblikkend. "Maar eigenlijk was het altijd de fiets. De fiets bepaalde altijd mijn volgende stap. Het is de drijvende kracht die me al deze kansen gaf, die deuren in het leven opende."
Nu, na dertig jaar, is het leven van Waldek eigenlijk voor het eerst in rustiger vaarwater. Na zijn laatste seizoen bij het Giant Factory Off-Road Team brak een zeldzame periode zonder races aan. In de winter gaf hij skiles aan kinderen. In de lente zag hij zijn jongste zoon trouwen en een leven voor zichzelf beginnen. In de zomer hoopt hij misschien wat mountainbikewedstrijden te rijden. Wat daarna komt? Dat weet hij nog niet. Maar één ding weet hij zeker: als de tijd rijp is, wijst de fiets hem vanzelf de weg.
Als Marcel Maes geselecteerd wordt voor de Belgische landenploeg die de Vredeskoers van 1967 zal rijden, is hij zelf sceptisch. De jonge,...



