Piste
longread
retro

Van Deruyter tot D’Hoore: de honderdjarige geschiedenis van het omnium

10min leestijd   door Wannes Braems op 20 oktober 2021
Wat hebben de tien- en zevenkamp uit de atletiek, de moderne vijfkamp (schermen, zwemmen, paardrijden, atletiek en schieten) en triatlon gemeen? Het zijn allemaal sporttakken die bedacht zijn om de meest veelzijdige en constante atleten aan te duiden. Ook het baanwielrennen heeft zijn meerkamp: het omnium, een combinatie van verschillende sprint- en uithoudingsonderdelen. Het omnium heeft een erg lange geschiedenis met wortels die meer dan een eeuw teruggaan, tot de Eerste Wereldoorlog. Het is bovendien een nummer waar Belgen altijd in hebben gefloreerd.

Geboorte met Tourrandje

Baanwielrennen had op het einde van de negentiende eeuw op korte tijd een enorme populariteit verworven. Op meetings werden voornamelijk één-tegen-één sprintwedstrijden georganiseerd, waarbij renners elkaar uitdaagden voor duels en revanchematchen. Dit concept sprak erg aan bij de supporters, die er een soort van moderne gladiatorenspelen in zagen. Voor organisatoren waren ticketinkomsten echter cruciaal, en daarom waren zij voortdurend op zoek naar nieuwigheden die het publiek naar de wielerpiste zouden (blijven) lokken.

Encore une grande journée en perspective. La course la plus originale de l’année
L'Auto, 8 mei 1917

Op die manier werd in het voorjaar van 1917 het omnium geboren. Op 8 mei kwam de Franse sportkrant L’Auto met een nieuw concept dat geïntroduceerd zou worden op de wedstrijd in het Parc des Princes in Parijs de week erna: “Encore une grande journée en perspective. La course la plus originale de l’année.” Het idee was om een wedstrijd te organiseren bestaande uit verschillende proeven, met als doel de meest complete baanrenner aan te duiden. Eén sprinter, één stayer en één wegrenner zouden het tegen elkaar opnemen in drie disciplines: 1000 meter sprint, 10 kilometer achter motorfietsen, en 20 kilometer achter tandems. Na de drie proeven werd een klassement opgemaakt: hun plaats op de drie afzonderlijke nummers werd opgeteld, en wie op het laagste getal uitkwam, won. Dat het juist L’Auto was dat met dit idee kwam is niet verwonderlijk. Die krant had een kleine vijftien jaar eerder ook de Tour de France uit de grond had gestampt, en had duidelijk een neus voor nieuwigheden. Bovendien was hoofdredacteur Henri Desgrange ook nog de directeur van de Parijse Vélodrome en dus organisator van alle pistewedstrijden aldaar.

De uitgekozen wegrenner aan de start van het eerste omnium was een Belg: Charles Deruyter, een maand eerder winnaar van Tours-Parijs (niet te verwarren met de bekendere wedstrijd die in de andere richting rijdt). Deruyter eindigde in het allereerste omnium uiteindelijk tweede; de overwinning en de bijhorende hoofdprijs van 1200 frank ging naar de Fransman Georges Sérès. L’Auto titelde de dag erna: “La formule de l’Omnium plaît au public.” Het publiek had zich inderdaad in groten getale naar de wedstrijd laten lokken: “La direction a voulu gâter son public et avait prévu ces trois évents pour la même journée. Elle en fut d’ailleurs récompensée puisqu’elle fit presque ‘salle comble’.”

Publiekstrekker en goudmijn

Het eerste omnium was een geslaagd experiment gebleken en bleef dus op het programma staan. Wedstrijden werden al snel uitgebreid tot vier deelnemers, en er werd ook een vierde discipline toegevoegd: de individuele achtervolging. Daarbij startten alle deelnemers aan een kwart van de piste, en wie werd ingehaald door degene achter viel af. De renner die iedereen wist in te halen won. Het omnium bleek een discipline met een grote aantrekkingskracht op publiek én renners. Zelfs de grootste vedetten uit het wegwielrennen maakten geregeld een uitstapje naar de piste. Rond deze speciale wedstrijden werd op voorhand erg veel tamtam gemaakt door de organisator en de pers.

Zo schreef Desgrange in 1923 in L’Auto dat Henri Pélissier met zijn Tourzege bewezen had dat hij zonder meer de beste renner ter wereld was. Costante Girardengo, al jaren de Campionissimo genoemd, de kampioen der kampioenen, was misnoegd. Robert Desmarets speelde hier handig op in. Desmarets was directeur van de Vél’ d’Hiv’, een overdekte wielerpiste in Parijs die gebruikt werd in de wintermaanden. Bovendien was hij wielerjournalist bij, jawel, L’Auto. Desmarets bezocht Girardengo op het einde van het jaar in Brussel, waar hij een koppelkoers reed. Hij wist Girardengo over te halen om op kerstdag in Parijs een omnium te komen rijden tegen Pélissier. Op die manier zouden ze kunnen beslechten wie van de twee nu eigenlijk de grootste kampioen was. In een omnium over drie delen overklaste Girardengo Pélissier op alle vlakken. De Franse held had verloren, maar dé grote winnaar van de meeting was het uitzinnige publiek. De supporters hadden de renners zo enthousiast onthaald dat ze nog voor het begin van hun wedstrijd al een ereronde moesten maken.

De anekdote typeert het omniumwielrennen van voor de Tweede Wereldoorlog. Aan de ene kant trok het omnium zelfs de grootste wielerkampioenen op aarde aan, maar aan de andere kant bleef het lange tijd een nummer dat slechts heel ad hoc georganiseerd werd. Organisatoren gebruikten het vooral als publiekstrekker, want voor hen was het een goudmijn. Het omnium was bovendien nog geen ‘officiële’ baandiscipline: op wereldkampioenschappen stonden enkel de onderdelen sprint en stayeren op het programma.

Jachtterrein van wegrenners

Na de Tweede Wereldoorlog zette het omnium echter een grote stap richting professionalisering. Het werd systematischer georganiseerd, en er werd zelfs een heus internationaal kampioenschap opgezet. Vanaf 1946 werd er iedere winter één omniumwedstrijd aangeduid als Europees Kampioenschap. Het kampioenschap was echter officieus en ‘open’: het werd dus niet gedragen door een officiële wielerbond en ook niet-Europeanen mochten starten. De winnaar van het ‘Omnium der Groten’, zoals de pers het kampioenschap soms betitelde, kreeg een gouden trui met verticale gekleurde strepen, die de verschillende continenten voorstelden.

Het arsenaal aan mogelijke disciplines was ondertussen ook stevig uitgebreid. Naast de klassieke sprint, de koers achter motoren en de achtervolging, introduceerde men ook de afvalling, de tijdrit van één of twee ronden (respectievelijk 500m en 1000m) en de puntenkoers. De organisator koos zelf welke drie of vier nummers hij op het programma zette. Ze kozen er steeds minder voor om sprintnummers in te leggen, maar focusten daarentegen op duurnummers. Deze nummers vereisten logischerwijze eerder uithouding dan explosiviteit. Dit speelde in de kaart van de wegrenners, die daarom graag aan het omnium deelnamen. Ze maakten er immers een goeie kans op de overwinning, het was een goede training in het winterseizoen, en ze konden er mooie premies opstrijken. De organisatoren van hun kant waren natuurlijk wat blij dat ze deze renners met naam en faam aan de start konden krijgen.

Er werden tussen 1946 en 1959 veertien officieuze Europese omniumkampioenschappen georganiseerd. Dé heerser in die jaren was zonder twijfel Rik Van Steenbergen, die maar liefst zeven van deze kampioenschappen won. Hij kreeg zijn titels echter geenszins cadeau want hij moest onder meer afrekenen met Tourwinnaars Fausto Coppi, Ferdi Kübler, Louison Bobet en Hugo Koblet. Vanaf 1959 werd het Europees kampioenschap omnium na veertien officieuze edities eindelijk geofficialiseerd. Een nieuw opgerichte organisatie, de Union Européenne des Vélodromes d’Hiver, zette haar schouders onder de wedstrijd. In 1972 werd het EK uiteindelijk overgenomen door de Internationale Wielerunie (UCI).

België boven

Na de Tweede Wereldoorlog domineerden de Belgen het omnium meer dan dertig jaar. Van Steenbergen behaalde naast zijn zeven officieuze titels ook de eerste ‘officiële’ Europese titel in 1959. Vanaf 1965 maakte een jonge Patrick Sercu zijn intrede. Hij zou in de twee daaropvolgende decennia uitgroeien tot de allerbeste omniumrenner aller tijden. Sercu won maar liefst elf Europese titels, en behaalde zijn laatste medaille op zijn 37ste. Ook op de erelijst van het Europees kampioenschap: Eddy Merckx. Hoewel hij zich vaak gewonnen moest geven tegenover de snellere Sercu, wist Merckx toch de Europese titel te behalen in 1975. In de jaren tachtig deelde het baanwielrennen vervolgens in de algemene malaise waarin het gehele Belgische wielrennen verzeild was geraakt. De nieuwe toppers waren niet langer Belgisch en het waren internationale renners zoals Urs Freuler en Danny Clark die het commando overnamen. Enkel Etienne De Wilde wist voor België nog te scoren; hij won in 1989 de Europese titel.

De trend waarbij duurnummers werden verkozen boven sprintnummers, bleef zich doorzetten: puntenkoers, afvalling en achtervolging waren de hoekstenen van het omnium. Het deed de UCI in 1995 besluiten dat er op het Europees kampioenschap twee omniums verreden moesten worden: een sprintomnium en een duuromnium. Beide wedstrijden bestonden uit vier disciplines, waarbij het sprintomnium de explosieve nummers organiseerde (keirin, afvalling, tijdrit over één baanronde, sprint), en het duuromnium de uithoudingsnummers (opnieuw afvalling, puntenkoers, scratch en achtervolging). Daarmee nam men afstand van de oorspronkelijke filosofie achter het omnium. De discipline stond niet langer meer synoniem voor het vinden van de meest complete baanrenner, maar voor een competitie bestaande uit een aantal verschillende disciplines.

360°

Bekijk in detail

De Europese kampioenentrui van de Australische (!) Gentenaar Graeme Gilmore uit 1973. Het omniumkampioenschap was ondertussen overgenomen door de UCI - het logo van hun wedstrijdorgaan FICP blijkt duidelijk op de borst - en de bijhorende trui was niet langer goud maar wit-blauw. (collectie Noël Grégoire)

Het hoogste podium

De UCI had echter nog verdere plannen met het omnium. Eind 2006 besliste het dat het omnium zou worden geïntroduceerd op het wereldkampioenschap. De drijfveer hierachter was dezelfde als die van Desgrange negentig jaar eerder: men zocht een nieuwigheid om de populariteit van het baanwielrennen te vergroten. De verder onbekende Tsjech Alois Kankovský werd op de wielerbaan van Palma de Mallorca de eerste wereldkampioen omnium. Twee jaar later ging ook het Internationaal Olympisch Comité overstag: op de Olympische Spelen van 2012 werd het omnium een olympische discipline. De Deen Lasse Norman Hansen won in het Londense Velopark de eerste gouden medaille. Het omnium had eindelijk het hoogste podium bereikt.

Het verhaal van de vrouwen in het omnium is veel korter. In 2009 kregen ook zij een wereldkampioenschap, met de Australische Josephine Tomic als eerste winnares. In 2010 mochten de vrouwen, maar liefst 65 jaar na hun mannelijke collega’s, ook strijden om een Europese titel. Daarbovenop kwam, zoals al vermeld, de introductie van het Olympische omnium in 2012. In Londen bracht Laura Trott de thuisfans in vervoering door in het slotnummer nog de gouden medaille af te snoepen van de Amerikaanse Sarah Hammer en te winnen met slechts één punt voorsprong.

360°

Bekijk in detail

Jolien D'Hoore zegevierde in 2013 in het damesomnium, georganiseerd tijdens de Zesdaagse van Gent.

Ook de Belgische rensters speelden in het omnium van in het begin mee. In 2011 besloot organisator Patrick Sercu om tijdens de Zesdaagse van Gent een omniumwedstrijd voor vrouwen te organiseren. Tijdens de eerste jaren werd het nog grotendeels verreden gedurende de kalme uren en zonder veel grote namen, maar naarmate de jaren vorderen kwam het steeds prominenter op het programma en met een steeds internationaler deelnemersveld. Jolien D’Hoore was erbij vanaf de eerste editie. Ze kleurde de wedstrijd, maar moest wachten tot 2013 vooraleer ze het omnium een eerste keer kon winnen in het Kuipke. Het was wel een overwinning met de nodige glans, want ze won alle onderdelen.

Delirium in Rio

Voor Jolien D’Hoore bleek die eerste overwinning in het Kuipke slechts een opstapje naar meer. Op de Olympische Spelen van Rio de Janeiro in 2016 reed D’Hoore een zeer constante wedstrijd en begon ze als tweede in de tussenstand aan de afsluitende puntenkoers. Tegen dan was al duidelijk dat een superieure Laura Trott zichzelf zou opvolgen. Na een spannende strijd om het zilver moest D’Hoore in de eindstand alsnog de Amerikaanse Sarah Hammer laten voorgaan. Maar D’Hoore was dolgelukkig met haar historische bronzen medaille. Het was immers de eerste vrouwelijke Olympische medaille in de Belgische wielergeschiedenis. Maar achter de medaille zit nog heel wat symboliek verscholen. Het omnium was op de Spelen van Rio namelijk slechts enkele maanden verwijderd van zijn honderdste verjaardag. Een geschiedenis die begon met een simpel idee: meer kaartjes te verkopen. Mét daarbij een Belg die meedeed voor de overwinning. Een eeuw later had het discipline een plaats verworven op het hoogste sportpodium, de Olympische Spelen. Mét opnieuw een Belgische op het podium!

Met de Spelen van Rio kwam er ook een einde aan een eindeloze reeks hervormingen die de UCI in de tien voorgaande jaren heeft doorgevoerd aan het omnium. De wielerunie wilde dat het omnium een vaste formule kreeg, maar leek er maar niet te kunnen besluiten hoeveel en welke disciplines ze nu precies wilde. Er kwamen experimenten met wedstrijden bestaande uit vier, vijf of zes disciplines, en uit combinaties van allerhande sprint- en duurnummers. Uiteindelijk werd er gekozen voor een omnium met vier disciplines, bestaande uit de scratch, temporace, afvalling en puntenkoers. Daarmee bevat het huidige omnium geen enkele meer van de ‘klassieke’ disciplines én bevat het nog uitsluitend duurnummers. Daardoor is de originele gedachte definitief verdampt: het omnium bekroont niet langer de meest complete baanwielrenner. De UCI vond namelijk dat de sprintnummers, vaak met staande start, te saai waren. Wat overblijft is een wedstrijd die niet langer geschiedenis uitademt, maar die wel spannend is om naar te kijken.

Omnium (wielersport)

In het baanwielrennen is een omnium een combinatieklassement. Er zijn verschillende vormen: De endurance omnium bestaat uit vier onderdelen. Eerst rijden de deelnemers een afvalkoers, puntenkoers en scratch. De eerste acht in het tussenklassement rijden ten slotte tegen elkaar op een achtervolging over 3.000 meter. De sprint omnium bestaat uit de onderdelen vliegende ronde, afvalkoers, keirin en sprint.Sinds 2007 staat de omnium op het programma van de wereldkampioenschappen. Hier rijdt men sprint, scratch, achtervolging, puntenkoers en tijdrit. Tijdens de Olympische Spelen van 2012 bestond het omnium uit zes onderdelen, te weten: vliegende ronde, puntenkoers, afvalkoers, individuele achtervolging, scratch en individuele tijdrit.

Deze website gebruikt cookies om uw surfervaring te verbeteren. Meer info.

Koers

Uw browser voldoet niet aan de minimale vereisten om deze website te bekijken. Onderstaande browsers zijn compatibel. Mocht je geen van deze browsers hebben, klik dan op het icoontje om de gewenste browser te downloaden.